Feesten op recept

 

[Verschenen in EssensiE – oktober 2001]

John Reynolds, lijfarts van Britse koningin Victoria, noemt rond 1840 cannabis “one of the most powerful medicines we possess.” Hij verdrijft er de ongesteldheidpijnen van Hare Majesteit mee. Een eeuw later is cannabis geen medicijn meer, maar opgenomen in de opiumwet. De politie maakt er in Nederland in de jaren vijftig en zestig actief jacht op. Het bezit van een enkele joint of ‘reefer’, zoals het dan nog heet, kan een gevangenisstraf van maar liefst acht maanden opleveren. Inmiddels valt cannabis onder het bekende Nederlandse gedoogbeleid, maar legaal is het middel daarmee niet. De Actiegroep Cannabis als Medicijn en Stichting Patiëntenbelangen Medicinale Marihuana vechten al heel lang voor eerherstel van cannabis als medicijn, maar het verzet hiertegen uit de hoek van Volksgezondheid blijft onverminderd groot. De weg van genotmiddel naar geneesmiddel is vrijwel onbegaanbaar, andersom ligt dat heel anders: bijna alle drugs, of ze inmiddels verboden zijn of niet, zijn ooit medicijn geweest.

Jean Nicot, ambassadeur van Frankrijk in Portugal, ontdekt in 1559 aan het Portugese hof de heilzame werking van de tabaksplant. Hij stuurt bladeren van de plant in poedervorm naar de Franse koningin Catherina de Medici tegen haar vreselijke migraine-aanvallen. Het werkt. Het tabaksblad blijft lange tijd een middel tegen allerlei kwalen: hoofdpijn, tandbederf, reuma, astma, zweren, epilepsie, duizeligheid en misselijkheid. De bladeren worden gerookt, gekauwd en gesnoven. Rond 1665 krijgen de jongentjes op Eton, de Engelse elitekostschool, elke morgen een pijp te roken omdat men denkt dat het hen beschermt tegen de pest die rond die tijd is uitgebroken in Engeland.

Een zegen voor de mensheid

Aan de andere kant van de Atlantische oceaan ontdekken de Spanjaarden naast de tabak nog meer wondermiddelen. Ze zien hoe Indianen in het onherbergzame Andesgebied met ogenschijnlijk gemak honger en kou trotseren. Het geheim zit in de cocabladeren die de indianen dagelijks in grote hoeveelheden wegkauwen. Als de Spanjaarden het in de zestiende eeuw naar Europa halen, gebruiken onder andere tandartsen het voor een lokale verdoving. Angelo Mariani vindt er rond 1880 een andere toepassing voor; hij stopt het in wijn en binnen korte tijd is zijn Vin Mariani ongekend populair. Schrijvers als Jules Verne en Arthur Conan Doyle zouden er grote liefhebbers van zijn geweest, evenals Thomas Edison en Koning Willem III. Van de paus, die de drank een zegen voor de mensheid noemt, ontvangt Mariani zelfs een gouden medaille. Freud beveelt cocaïne aan als middel tegen depressies en alcohol- of morfineverslaving. Zelf is hij overigens ook niet vies van het witte poeder. De Amerikaanse apotheker John Pemberton maakt de wijn van Mariani na en brengt zijn French Wine Coca op de markt als middel tegen allerlei aandoeningen. In 1886 vervangt hij de wijn door een siroop en noemt het geheimzinnige drankje Coca-Cola naar de belangrijkste ingrediënten: cocaïne en extract van de cafeïnerijke kolanoot. Pas in 1903 haalt Coca-Cola Company de cocaïne eruit.

Laudanum

Een drug met een erg lange geschiedenis is opium. De volken in het oude Mesopotamië ontdekken 3400 jaar voor Chr. de appetijtelijke kanten van de papaverplant en na hen doen de Egyptenaren dat en vervolgens de Grieken en de Carthagen, dan volgen de Perzen en Indiërs en ten slotte de Chinezen. Al die tijd is opium zowel genotmiddel als geneesmiddel. De vader van de geneeskunst, Hippocrates vindt het bruikbaar als verdovingsmiddel en als medicijn tegen verschillende inwendige ziekten en vrouwenkwalen. In de late Middeleeuwen verdwijnt opium in Europa van het menu door toedoen van de Inquisitie. Volgens de kerkelijke scherprechters is alles wat uit het oosten komt duivels dus ook opium. De alchemist Paracelsus brengt opium na twee eeuwen terug in de medicijnkast met de uitvinding van de pijnstiller laudanum, waarvan opium het belangrijkste ingrediënt is. Begin negentiende eeuw slaagt Friedrich Sertuerner erin het werkzame bestanddeel uit opium te isoleren en noemt het morfine, naar Morpheus de Griekse god van de dromen. Men betitelt de krachtige pijnstiller die hiermee voorhanden komt als ‘God’s eigen medicijn’.

Heroïnedrankje

Met de ontdekking van morfine waren de mogelijkheden van de papaverplant echter nog steeds niet uitgeput. In 1897 ontdekken Felix Hoffmann en Heinrich Dreser van de firma Friedrich Bayer & Co door een chemische bewerking van morfine een stofje dat een gewelddadig lichamelijk effect heeft. Vanwege het heroïsche gevoel dat de stof teweegbrengt, noemt Dreser het heroin. Bayer brengt het al snel als zeer effectief middel tegen hoesten, pijn in de borst, longontsteking en bronchitis op de markt. Bayer doet in meer dan twintig landen goede zaken met het heroïnedrankje. Het is immers een tijd waarin penicilline nog niet ontdekt is en longontsteking en tuberculose de belangrijkste doodsoorzaken zijn. Tussen 1898 en 1905 worden maar liefst 180 klinische studies gedaan naar heroïne en krijgen zo’n 10.000 patiënten het middel toegediend. Er verschijnen in die periode bovendien 11 proefschriften over het onderwerp, die een overwegend positief oordeel vellen over het middel. Pas als steeds meer artsen berichten dat patiënten wel erg grote hoeveelheden van het hoestmiddeltje tot zich nemen, krijgt Bayer oog voor het nadeel van heroïne, namelijk dat je er zwaar verslaafd aan raakt. In 1913 stopt Bayer de productie en stort zich op de verkoop van een andere pijnstiller: aspirine.

Benzedrine

Voor de bestrijding van astma en bronchitis ontdekt de farmaceutische industrie in de jaren dertig een andere remedie: amfetamine (ofwel speed). In 1927 komt het voor het eerst op de markt als middel tegen te lage bloeddruk, maar een Amerikaanse farmacoloog ziet in amfetamine een goede vervanger van het te dure efedrine dat heilzaam werkt bij astma. Amfetamine wordt vanaf dat moment onder de merknaam benzedrine in inhaleerapparaatjes verkocht. De oppeppende werking van het middel ontgaat wetenschappers overigens ook niet en voor het onderzoek daarnaar krijgt het leger weer belangstelling. Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden er 72 miljoen amfetaminepillen uitgedeeld aan soldaten aan weerszijde van het front. Het middel verhoogt hun alertheid en vechtlust en doet honger en vermoeidheid verdwijnen. Tot in de jaren zestig is amfetamine vrij verkrijgbaar en het is dan een veelgebruikt middel voor vermageringsdoeleinden of gewoon om wakker te blijven.

Vermageren met MDMA

In 1914 patenteert het Duitse chemische bedrijf Merck MDMA (3,4-MethyleneDioxyMethAmphetamine). Het is bedoeld als vermageringsmiddel, maar Merck brengt het middel om onduidelijke redenen niet op de markt en MDMA verdwijnt uit beeld. Begin jaren vijftig experimenteert de CIA met MDMA om het te testen op eventuele geschiktheid als waarheidsserum, maar als blijkt dat mensen de controle over hun geest niet kwijtraken, acht de CIA het ongeschikt. Het is de Amerikaan Alexander Shulgin die MDMA in de jaren zeventig uit de vergetelheid haalt. Tot 1965 werkt Shulgin als chemicus voor het Amerikaanse concern Dow Chemical Co. Hij maakt zich daar zeer verdienstelijk met de uitvinding van een winstgevend insecticide, maar als Dow erachter komt dat ze ook de gelukkige eigenaar is van patenten op psychedelica die Shulgin heeft uitgevonden, wordt zijn positie onhoudbaar. Na zijn vertrek bij Dow begint hij een eigen laboratorium waar hij zich helemaal uitleeft op zijn grote hobby: het ontwikkelen van therapeutische drugs en andere geestverruimende middelen. In de loop van enkele decennia vindt Shulgin meer dan 150 verschillende drugs uit. Het is ironisch dat hij dit doet onder een licentie van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA), waarmee Shulgin voor de DEA smokkelwaar analyseert. Zijn bekendheid dankt Shulgin evenwel niet aan een middel dat hij zelf heeft uitgevonden, maar aan zijn herontdekking van MDMA en zijn bevlogen promotie van het middel voor therapeutisch gebruik. MDMA is dan omgedoopt in Adam. In de jaren zeventig passen psychiaters en psychotherapeuten het toe als hulpmiddel om hun patiënten meer ontspannen en loslippiger te maken. Het helpt de therapie met sprongen vooruit. Het kan uiteraard niet uitblijven dat ook anderen de relaxende en tegelijkertijd oppeppende werking van Adam ontdekken en in de tweede helft van de jaren zeventig vindt het z’n weg naar het partycircuit, eerst onder de naam X en later als ecstacy.

In 1991 publiceerden Shulgin en zijn vrouw Ann het boek Pihkal: A Chemical Love Story voor de doe-het-zelf-pillendraaier. Het boek bevat 179 recepten voor chemische drugs die ze voor een groot deel zelf hebben ontdekt en ook allemaal op zichzelf hebben uitgeprobeerd. Ze beschrijven per drug de chemische samenstelling, het effect, hoelang dit duurt en bij welke dosis het bereikt wordt. Het boek staat trouwens ook op internet: http://www.erowid.org/library/books_online/pihkal/pihkal.shtml

Sandoz

Een middel dat in de psychiatrie meer succes heeft, is LSD-25. In de jaren vijftig en zestig experimenteren psychiaters er volop mee. De chemicus Albert Hofmann heeft het in 1938 ontdekt, maar het Zwitserse chemiebedrijf Sandoz, waarvoor Hofmann werkt, besteedt er pas aandacht aan als Hofmann in 1943 per ongeluk wat LSD binnenkrijgt. Hij doet nauwgezet verslag van zijn exotische ervaringen in het laboratoriumjournaal. Sandoz brengt LSD vervolgens op de markt voor psychiatrisch onderzoek. LSD doorbreekt weerstanden bij de patiënt - wat de psychoanalyse vergemakkelijkt - en de onderzoeker kan er bovendien uit eerste hand de wereld van de psychoticus mee verkennen. Ook de CIA (alweer) gaat in 1953 aan de slag met LSD in het kader van een geheimzinnig project onder de naam MK-ULTRA. De CIA onderzoekt in die tijd allerlei methodes om mensen te hersenspoelen en in te zetten voor spionage of koeriersdiensten zonder dat ze het zelf weten. De dienst krijgt ook toestemming om uit te zoeken of LSD gebruikt kan worden voor hersenspoeling en verhoren en of het bruikbaar is als chemisch wapen. Op een waanzinnige en volkomen onethische manier wordt LSD vervolgens uitgeprobeerd op nietsvermoedende proefkonijnen, zoals psychiatrische patiënten en zelfs op drugsverslaafden die gedwongen opgenomen zijn vanwege drugsdelicten.

Vinkenoog

Ook in Nederland experimenteren psychiaters met LSD (met medeweten van de proefpersonen). Frank van Ree voert het middel eind jaren vijftig in het Wilhelmina-gasthuis aan een hele rits vrijwilligers, waaronder schrijver Simon Vinkenoog en Bart Huges en beschrijft de effecten ervan in zijn proefschrift. De psychiaters Jan Bastiaans en G.W. Arendsen Hein behandelen respectievelijk mensen met een KZ-syndroom en recidiverende criminelen met LSD. Zij blijven dat ook doen als LSD in 1966 in de Opiumwet wordt opgenomen. In het artikel ‘Het gebruik van Psychedelische middelen in Nederland in de jaren zestig’ merkt Stephen Snelders op dat dit verbod op LSD zelf illegaal was, omdat de overheid alleen middelen kon verbieden die onder internationale verdragen vielen en dat was bij LSD niet het geval. Maar tegen die tijd had het middel hoe dan ook zijn weg naar de recreatief gebruiker allang gevonden. Kunstenaars, schrijvers en beroepstrippers kregen er ‘te gekke’, alles omvattende inzichten mee.

Onverwoestbaar

Het is niet echt duidelijk waarom het ene geneesmiddel uiteindelijk op een zwarte lijst komt en andere niet. Alcohol en tabak zijn verslavende middelen die ongezonde en zelfs dodelijke gevolgen kunnen hebben en zijn desondanks vrij verkrijgbaar op iedere hoek van de straat. Onschuldiger middelen zoals cannabis staan op lijst II van de Opiumwet en zijn illegaal. Wat wel duidelijk is, is dat veel medicijnen een tamelijk onverwoestbaar leven leiden. Waar ze eerst worden bewierookt als redding van de mensheid, verdwijnen ze later in het verdomhoekje van de geneeskunst om vervolgens in het illegale circuit aan een tweede leven te beginnen.

Bernadette Hijstek | Oktober 2001