Error message

Deprecated function: The each() function is deprecated. This message will be suppressed on further calls in book_prev() (line 775 of /var/www/clients/client25072/web36725/web/home/modules/book/book.module).

De 'burgerlijke 19e eeuw: 'My house is my castle'

'Burgerlijk' is een moeilijk te definiëren begrip. Met 'burgerlijk' kan een sociale klasse, een economische activiteit, een politiek stelsel, een psycho-sociale instelling of een morele houding bedoeld worden (1). In dit hoofdstuk wil ik toch een poging doen enig inzicht te krijgen in dit complexe begrip 'burgerlijk'. Ik wil daarbij vooral aandacht besteden aan de opkomst, ontwikkeling en ideologische achtergrond van het burgerlijke familie-ideaal aan het einde van de 18e en in de 19e eeuw, omdat dit onontbeerlijk is voor een goed begrip van de rol en functie van burgerlijke vrouwen in gezin en maatschappij aan het begin van de 20e eeuw.

Het burgerlijke familie ideaal

Het kleine, besloten burgerlijke gezin wordt altijd beschouwd als het fundament, de hoeksteen, van de burgerlijke samenleving. De historische voorloper van dit moderne gezin was de patriarchale 'Großhaushalt'; een gemeenschap waarin drie of meer generaties met elkaar samenleefden met een 'pater familias' aan het hoofd. Men leefde samen op basis van al dan niet verre verwantschap en de band tussen de familieleden was niet erg hecht. De familie vormde een werk- en woongemeenschap en alle familieleden werkten mee in het familiebedrijf (2).

In deze vorm van samenleven kwam in de zeventiende eeuw verandering, het eerst bij de stedelijke laag van kooplui en handwerkers waar werk en wonen niet meer onder één dak plaatsvonden. De familie verloor hier haar karakter van woon- en werkgemeenschap (3). In plaats van de vroegere familiegemeenschap, waarin werkplaats en huishouden een eenheid hadden gevormd, kwam een ruimtelijke en boekhoudkundige scheiding tot stand tussen werk- en privé-sfeer. Door de scheiding van huis en werk werd het gezin geleidelijk aan een gesloten gemeenschap, die werd gekenmerkt door 'Innerlichkeit', 'Intimität' en 'Emotionalität' en de afwezigheid van conflicten, concurrentie en arbeid (4). De openheid van de traditionele familie werd vervangen door de geslotenheid en intimiteit van het burgerlijke gezin, die nu diende als schuilplaats voor het materialisme en de immoraliteit van de maatschappij (5). Het gezin werd een gemeenschap die min of meer los stond van de maatschappij. Het werd 'Innenraum' en 'Gegenwelt' tegenover een vijandige buitenwereld (6). Binnen deze familie leefde men in toenemende mate alleen met de directe verwanten wat de band tussen deze familieleden intensiveerde en emotioneler maakte.

Deze samenlevingsvorm ontstond het eerste onder een kleine bevoorrechte bovenlaag. Maar naarmate de industrialisering en urbanisatie in de 19e eeuw verder vorderde, werd het burgerlijke familietype steeds meer een voorbeeld voor de rest van de maatschappij en breidde het zich uit onder brede lagen van de bevolking.

Deze nieuwe samenlevingsvorm was echter niet alleen het product van veranderende economische activiteiten en verhoudingen, waar de scheiding tussen privé- en openbare sfeer uit voortgekomen was. Het familie ideaal maakte deel uit van een veelomvattende burgerlijke leefwijze waarmee de burgerij haar eigen status en identiteit vorm probeerde te geven tegenover de aristocratie en tegenover de lagere klassen (7).

Adolf von Knigge (1752-1796), een schrijver van veelgelezen boeken vol praktische levenswijsheid, formuleerde in zijn boek Über den Umgang mit Menschen (1788) een dergelijk anti-aristocratisch, specifiek burgerlijk bewustzijn. In de plaats van overgeërfde privileges, aristocratische koketterie, frivoliteit en 'feinen Kultur' traden bij hem persoonlijke prestatie, gezond verstand, kennis van zaken, natuurlijkheid en de 'Sinn für häusliche Glückseligkeit' als de eigenlijke deugden op de voorgrond (8).

De burgerij probeerde zichzelf, door de idealisering en overdrijving van haar eigen familie-ideaal, ook tegenover het proletariaat een eigen gezicht te verschaffen. De schildering van de familie-verhoudingen van het proletariaat bestond in vele verhandelingen uit een verzameling van stereotype vooroordelen. Tekenend daarvoor is het verband dat automatisch werd gelegd tussen armoede, zedenverval en criminaliteit. De oorzaak voor de verpaupering zochten burgerlijke zedenpredikers niet in de uitwassen van de nieuwe industriële samenleving en de uitbuiting van arbeiders, maar in de lichtzinnige leefwijze van die arbeiders en in hun minachting voor burgerlijke deugden, zoals orde en spaarzaamheid en in de 'Leichtigkeit der Verheiratung und Ansässigmachung ohne Erwerbssicherheit mit all ihren traurigen Folgen für das Familieleben' (9). Een andere auteur vatte datzelfde familieleven kort en bondig samen als 'Hurerei' en hij wijtte de toenemende misdaad onder het proletariaat niet aan de werkloosheid, maar aan het overmatig gebruik van 'Branntwein' (10).

De 'Bestimmung des Weibes'

De scheiding tussen de privé(gezins)-sfeer en de arbeids (openbare)-sfeer had belangrijke consequenties voor de maatschappelijke rol van vrouwen. In de pré-industriële samenleving vervulde de vrouw een veelomvattende economische en huishoudelijke taak al was zij daarbij net als de rest van de familie-leden geheel ondergeschikt aan de autoriteit van de 'pater familias'. Onder invloed van de industrialisering werd de vrouw steeds meer uit de produktie-sfeer verdrongen naar de privésfeer, terwijl de man als ondernemer en kostverdiener zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid nakwam. De taak van de vrouw beperkte zich in toenemende mate tot het baren en opvoeden van de kinderen en de verzorging van het huishouden en de echtgenoot. Het was de vrouw die garant stond voor de vreedzame, huiselijke idylle. Zij was verantwoordelijk voor de verwezenlijking van het burgerlijk familie ideaal, zoals ik dat boven in het kort heb beschreven. Dit betekende dat de definiëring van de vrouwelijke rol binnen het gezin een wezenlijk bestanddeel vormde van de burgerlijke familie-ideologie (11).

De theorie van de geslachtspolariteit, die aan het einde van de 18e eeuw werd 'uitgevonden', was het middel waarmee deze orde, waarin ieder zijn eigen plaats had, werd gerechtvaardigd. In een reeks filosofische verhandelingen en tijdschriften, zoals de Moralischen Wochenschriften, die vanaf het einde van de 18e eeuw het licht zagen, werd de idee verkondigd dat de plaats van de vrouw thuis was en dat dit een logische consequentie was van haar 'natuur' (12). Uit de natuur - de goddelijke orde - werden de voor man en vrouw verschillende geslachtskenmerken afgeleid en daaruit volgden voor beiden verschillende taken. Bij verschillende auteurs steeds terugkerende kenmerken voor de man waren 'activiteit' en 'rationaliteit' en voor de vrouw 'passiviteit' en 'emotionaliteit'. Het resultaat hiervan was dat de man van nature voor een maatschappelijke rol en de vrouw voor een huiselijke taak werd voorbestemd (13).

Belangrijkste wegbereiders voor deze 'natuurlijke' burgerlijke rollenverdeling tussen man en vrouw waren de filosofen Jean Jacques Rousseau (1712-1778) en Johann Gottlieb Fichte (1762-1814). Hoewel beide schrijvers een kind waren van de Verlichting, luidden zij tegelijk het einde van de Verlichting in.

Sinds mensenheugenis werd van de vrouw gedacht dat zij dichter bij de natuur stond als de man. Voor de christenen, die de natuur in zijn geheel als vervallen en zondig beschouwden, stond het daarom vast dat met name de vrouw een verdorven schepsel was. De 'herwaardering van 'de natuur' tijdens de Verlichting had tot gevolg dat ook de kijk op de 'natuur' van de vrouw veranderde (14). De traditioneel verleidelijke Eva werd vervangen door een madonna-achtig wezen. De 'natuurlijke' vrouw werd vanaf nu geïdealiseerd als hoedster van de moraal en ze werd een a-sexueel, passief wezen (15). Maar, volgens Rousseau, was de vrouw niet alleen passief ze wilde van nature de man tevreden stellen en zich aan hem onderwerpen. Voor de onderwerping van de vrouw waren dan ook geen dwangmiddelen nodig - hoogstens een 'natuurlijke' opvoeding - want de wens om beheerst te worden was reeds in de vrouwelijke natuur zelf aanwezig (16).

Ook Fichte leidde de huiselijke en ondergeschikte rol van de vrouw af uit haar natuur (17). Centraal in het betoog van Fichte staat de liefde. De liefde is alleen aangeboren bij de vrouw en hiermee compenseert de vrouw, volgens Fichte, haar gebrek aan gezond verstand. Voor de man is de bevrediging van de geslachtsdrift, dat de basis vormt voor het huwelijk, een rationele en 'actieve' daad. De vrouw manifesteert zich in dat opzicht daarentegen alleen 'lijdend', 'passief'. 'Ihre Würde beruht darauf, dass sie ganz, so wie sie lebt und ist, ihres Mannes sei und sich ohne Vorbehalte an ihn und in ihm verloren habe' (18). Deze onvoorwaardelijke overgave aan de man, zoals de vrouw dat volgens Fichte doet, kan alleen geschieden uit liefde. De enige actieve en daarmee 'verstandelijke' daad die een vrouw dus toekomt bij Fichte is de onderwerping uit liefde. Deze overgave aan de man had het 'logische' gevolg dat de vrouw afstand deed van haar burgerlijke rechten en haar vermogen ten gunste van de man. 'Sie [de gehuwde vrouw] hat aufgehört, das Leben eines Individuums zu führen; ihr Leben ist ein Teil seines Leben geworden' (19).

Op een aantal vooraanstaande pedagogen uit deze tijd had de nieuwe definiëring van de geslachtsrollen, waardoor de vrouw een strikt familiaire rol had gekregen, een belangrijke invloed. Rousseau en Fichte leverden de bouwstenen voor de in de pedagogiek opduikende formule van de 'Bestimmung des Weibes zur Gattin, Hausfrau und Mutter'.

Zo schreef de pedagoog J.H. Campe in Väterlicher Rath für meine Töchter (1789): 'Der Wert einer Gattin, so erfährt man, richtet sich nicht nach der Breite und Tiefe ihrer litterarischen Kentnisse, sondern [ist] einzig und allein nach der Art zu messen, wie sie ihre wahre weibliche Bestimmung zu erfüllen sich bestreben wird'. Deze 'wahre weibliche Bestimmung' vormt bij Campe de 'beglückenden Gattin, der bildenden Mutter und weisen Vorsteherin des inneren Hauswesens' (20). 'Geduld, Sanftmuth, Biegsamkeit und Selbstverleugnung' zijn de deugden waarmee de vrouw 'das Haus ihres Gatten zur Wohnung des Friedens, der Freude und der Glückseligkeit, so wie es durch hausmütterliche Aufmerksamkeit auf alles, und durch ihre rastlose Thätigkeit zum Muster der Ordnung, der Reinlichkeit und Fleißes zu machen wußte' (21). De rol van echtgenote, huisvrouw en moeder was echter niet alleen de natuurlijke bestemming van de vrouw het was, volgens de burgerlijke ideologen, ook nog de rol waar de vrouw zich het meest gelukkig in voelde: 'Sie sieht im stillen Heim ein Vorrecht. Denn nur der gesicherte Innenraum des Hauses gewährt ihr den Schutz, unter dem sie konfliktfrei handeln und fühlen, ihre moralische Reinheit und Unverdorbenheit bewahren kann' (22).

Het Romantisch protest

Al snel waren, mede onder invloed van de Romantiek, ook de eerste kritische geluiden te horen op deze lotsbestemming van de vrouw binnen het gezin. Zo eistte Mary Wollstonecraft in haar boek A vindication of the rights of women (1792) het recht op voor vrouwen om zich te ontwikkelen en te ontplooien (23).

Een medestander van haar was Th. G. Hippel. Zijn boek Über die bürgerliche Verbesserung der Weiber (1792) was een eenzame poging om de burgerlijke principes van vrijheid en gelijkheid ook voor vrouwen serieus te nemen. Na een verwijzing naar Rousseau - 'Und Männer! ihr wollt glauben eine halbe Welt wäre [da] zu eurem 'bon plaisir' ?' - betoogt Hippel dat de onwetendheid en zwakte van vrouwen noch uit haar natuur voortkomen noch haar schuld zijn, maar veeleer het gevolg van de zogenaamde 'Kultur' en de bevoogding door de man (24).

Dat deze woorden van Hippel niet alleen maar een ijdele theorie waren, werd aan het einde van de 18e eeuw bewezen door het optreden van een groep intellectueel geëmancipeerde vrouwen, die door privé-onderwijs een aan mannen gelijkwaardige opleiding hadden gehad. Voorbeelden hiervan zijn Caroline von Humboldt, Caroline Michaelis-Schlegel-Schelling, Bettina von Arnim, Dorothea Mendelsohn en Therese Forster. Zij stonden in hun tijd in het centrum van het Duitse geestesleven. Maar het waren allemaal vrouwen die tot een bevoorrechte klasse behoorden - adel of hogere burgerij - en hun politieke en maatschappelijke betekenis was gering (25).

De absolute ontkenning van een eigen identiteit bij de vrouw, zoals Fichte dat deed, werd door de romantici afgezwakt. Door hun waardering voor het individu, kreeg ook de vrouw ruimte voor de ontplooiing van de persoonlijkheid. De romantici propageerden het ideaal van de 'selbständige Weiblichkeit'. Dat betekende dat vrouwen 'nach der Männer Bildung, Kunst, Weisheit und Ehre' moesten streven (26). Dit had ook een praktische functie, omdat vrouwen wellicht interessantere echtgenotes en betere moeders waren als zij hun talenten veelzijdiger ontwikkelden (27). Toch was de houding van de romantici tegenover de vrouw ambivalent. Voor Schlegel en Schleiermacher bleven de belangrijkste aspecten aan een vrouw 'Liebe, Empfindung und religiöses Gefühl' en de vrouw werd binnen haar relatie met de man weliswaar beschouwd als zijn gelijke, maar die gelijkwaardigheid aan de man bleef strikt beperkt tot de privésfeer (28). De romantici bleven dus vasthouden aan de theorie van de geslachtspolariteit. Het wezen van de vrouw bleef gekenmerkt door 'subjectiviteit' en 'Empfindung', terwijl de man zich richtte op het objectieve, het algemene.

Halverwege de 19e eeuw was de rollencliché geperfectioneerd. De fronten tussen man en vrouw, tussen privésfeer en openbaarheid of tussen produktie- en reproduktiesfeer zijn dan geheel afgebakend en ieder had hierin een vaste rol gekregen. Het middel hiertoe vormde de schematische karakterisering van de geslachten, zoals die aan het einde van de 18e eeuw uit de natuur waren afgeleid. In de 19e eeuw werd dit systeem met behulp van de medische wetenschap, de antropologie en de psychologie 'wetenschappelijk' vervolmaakt (29). De Romantiek heeft daarin geen wezenlijke verandering gebracht.

Het conservatieve familie ideaal en het belang van de staat

Zoals ik heb laten zien was de burgerlijke levenswijze aanvankelijk kenmerkend voor een kleine vooruitstrevende bovenlaag van de bevolking en diende het de legitimatie en begrenzing van de eigen sociale status en identiteit tegenover de lagere klassen en de aristocratie. In de loop van de 19e eeuw werd deze burgerlijke levenswijze waarin een gelukkig familieleven, fatsoenlijkheid en hard werken centraal stonden en waarvoor de 'privatisering' van de vrouw zowel voorwaarde als produkt was, steeds meer een cultureel verdedigingsmiddel. De 19e eeuw was een tijd van vernieuwing en snelle veranderingen op vele gebieden. Triomfen in wetenschap en techniek openden ongekende mogelijkheden, terwijl oude geloofszekerheden afbrokkelden en steeds minder houvast boden. Het optimisme waarmee dit vooruitgangsproces aanvankelijk was begroet, werd in de loop van de 19e eeuw steeds meer begeleid door angst en onzekerheid dat men de ontwikkelingen niet meer onder controle had (30). Dit leidde ertoe dat dezelfde burgerij, die het industrialiseringsproces op gang had gebracht, naar middelen ging zoeken om orde en stabiliteit aan te brengen in deze snel veranderende wereld. Vaste structuren moesten een tegengewicht vormen voor 'the vibrations of modernity' (31).

Deze innerlijke houvast vond de burgerij in een nog verder aangescherpte familie-ideologie en in strenge moralistische voorschriften en gedragspatronen (32). De familie werd heilig verklaard en het welzijn en voortbestaan van de staat werden er afhankelijk van gemaakt.

De conservatieve cultuurhistoricus en familiesocioloog Wilhelm Heinrich Riehl (1823-1897) was degene die de paniek en de angsten van de burgerij het duidelijkste verwoordde (33). Riehl probeerde in zijn werk Die Familie (1854) aan te geven wat de betekenis van de familie is voor de stabiliteit van de staat. Hij vatte de familie op als kiemcel van de staat of anders gezegd, als basiselement in het 'organisme' van de 'staatspersoonlijkheid'. Familie en staat zijn elkaars spiegelbeelden. In beide gemeenschappen heerst een hiërarchische orde. Aan het hoofd hiervan staat in het geval van de familie de vader. Door hem worden de leden van de maatschappij opgevoed met respect voor orde en autoriteit. De ongelijkheid en afhankelijkheid die zowel binnen de staat als binnen de familie bestaan, is volgens Riehl geheel volgens de goddelijke orde en daaraan tornen is in zijn ogen 'das verwegenste Gedanke des moderne Radikalismus' (34).

Taak van de sociale politiek bestond bij Riehl uit de wederopbouw van het 'huis', de vernieuwing van het familiebewustzijn en de familie-zeden, want dat waren de fundamenten van een gezonde autoritaire staat (35). Het ergste voor Riehl was dat de bedreiging van de burgerlijke familie uit de eigen gelederen kwam. Namelijk van de 'weiblichen Demagogen...gebildete Frauen, Blaustrümpfe, die ihr Geschlecht verleugnen, vornehme Damen, die Monate lang in den Lagen der Parlemente zuhörten, weil sie zu Hause nichts zu thun hatten. Eine Frau, die an die Gleichstellung ihres Geschlechts mit den Männern denkt muß bereits sehr viele confuse Bücher gelesen haben. Von selber verfällt eine deutsche Frau noch nicht auf den Gedanken der 'Emanzipation der Frauen' (36). Een vrouw kon dus, volgens Riehl, zoiets als emancipatie onmogelijk zelf bedacht hebben. Het waren volgens Riehl nota bene de Duitsers die als eerste de diepgaande verschillen tussen man en vrouw hadden onderkend en niet om de vrouw tot slaaf te maken, maar tot herkenning van haar 'werkelijke' waarde: haar gave om thuis de lakens uit te delen (37).

De burgerlijke seksuele moraal

Zoals gezegd probeerde de 19e eeuwse burgerij niet alleen door een streng familie-ideaal en de strikte scheiding van de rollen van mannen en vrouwen het hoofd te bieden aan de verschuivingen en onzekerheden die het industriële tijdperk met zich meebracht, dat probeerde zij ook, zoals de historicus G.L. Mosse laat zien, door de nadruk te leggen op bepaalde fatsoensnormen, zedelijkheid en goede vormen.

De 'Victoriaanse' sexuele moraal wordt gekenschetst door ontkenning en onderdrukking van de sexualiteit, schaamte over het menselijk lichaam en de angst voor naaktheid. Kortom het was doordrenkt van preutsheid tegenover het 'onuitsprekelijke' (38). Zo wordt op een meisjeskalender uit 1884 aanbevolen: 'Wenn Du ein Bad nimmst, so streue etwas Sägemehl auf das Wasser, damit Dir der peinliche Anblick Deiner Scham erspart bleibe!' (39).

Tekenend voor de 19e eeuwse sexuele moraal was ook de masturbatie-hysterie van de burgerij. Al in 1710 verscheen in Engeland een boek waarin de schadelijke gevolgen van masturbatie werden beschreven. Het boek Onania, or the heinous sin of self-pollution, and all its frightful consequences, in both sexes, considered van de arts Dr. Bekker beleefde in 1737 zijn 17e druk en het werd in vele talen vertaald. In het boek worden de niet mis te verstane symptomen beschreven: maagklachten, misselijkheid, overgeven, verzwakking van de ademhalingsorganen, nervositeit, impotentie, rugklachten, oog- en oorstoornissen, ruggemergtering, een algehele vermindering van de energie, geestesziekte, onnozelheid en uiteindelijk leidde het meestal tot zelfmoord (40). Na deze bestseller volgde nog vele boeken waarin de kruistocht tegen de 'zelfbevlekking' werd voortgezet.

Sexualiteit met andere doelen dan de voortplanting, zoals masturberen, was een perverse handeling, die tot onvruchtbaarheid, ziekte en een zwakke wil leidde. Het getuigde bovendien van een immorele geest en gebrek aan discipline. Dat alles te samen maakte deze 'perverse' handeling niet alleen schadelijk voor de gezondheid van het individu, de impotentie en 'degeneratie van de soort' die er uit voortvloeiden, zouden uiteindelijk ook tot de ondergang van de gezonde staat leiden (41). Tegenover dit stereotype van de nerveuze, 'un-soziale' masturbator stond het mannelijkheid-ideaal van de burgerij. De volmaakte man was het toonbeeld van onthouding en zelfbeheersing. Mannelijkheid betekende vrij van driften en de sublimering van de sexualiteit in het leiderschap over de maatschappij (42).

Ook het stereotypebeeld van de vrouw veranderde. De vrouw was geen Eva meer; ze was niet meer de bron van morele corruptie en de incarnatie van de lust (43). Integendeel, haar werd sexualiteit volledig ontzegd. Een grote meerderheid van de artsen was het erover eens dat sexualiteit bij de vrouw abnormaal was. Een gezonde, fatsoenlijke vrouw was ook op sexueel gebied passief. Frigiditeit van de vrouw werd tot norm verheven. Toegeven dat een vrouw ook zoiets als sexualiteit zou kennen, zou een vergrijp tegen de 'Heiligkeit der Frau' zijn (44). Een vrouw kende geen lichamelijk verlangen zolang dat niet door de man was opgewekt en het sprak vanzelf dat zoiets alleen binnen het huwelijk, in het kader van de voortplanting, was toegestaan.

De burgerlijke fatsoenlijkheid had echter zijn verborgen en te verbergen keerzijde, namelijk een door de staat gereguleerde prostitutie en een bloeiende pornografische 'industrie'. Volgens de literator Stefan Zweig wekte de systematische onderdrukking van de sexualiteit juist de nieuwsgierigheid: 'Überall schuf sich das gehemmte Abwege, Umwege und Auswege'...'Denn nur das Versagte beschäftigt das Gelüst, nur das Verbotene irritiert das Verlangen, und je weniger die Augen zu sehen, die Ohren zu hören bekamen, um so mehr träumten die Gedanken' (45). .

De dubbele moraal van de fatsoenlijke burgerij kwam met name tot uiting in de door de staat gereguleerde prostitutie. In §361/6 van het Duitse Reichsstrafgesetzbuch was bepaald dat elke prostituée in het bezit moest zijn van een door de zedenpolitie afgegeven vergunning en zich regelmatig medisch moest laten onderzoeken. Bovendien had de politie het recht elke vrouw die van prostitutie werd verdacht te arresteren en aan een medisch onderzoek te onderwerpen (46). Alhoewel in §180 van het strafrecht was bepaald dat het houden van een bordeel illegaal en strafbaar was, werd §361/6 aangegrepen voor een door de staat gereguleerde prostitutie en was het niet ongewoon dat politie en bordeelhouder nauw met elkaar samenwerkten.

Het waren derhalve de vrouwen die door dit systeem vernederende onderzoeken moesten ondergaan, vervolgd en bestraft konden worden, terwijl de mannen vrijuit gingen. In bepaalde kringen, zoals het leger en de studentencorpsen, behoorde een bezoek aan een bordeel zelfs tot de noodzakelijke 'rite de passage' in de wereld van de volwassen, zoals ook het lidteken bij een duel dat was. Beide waren bewijzen van eer en mannelijkheid (47). Als een jongeman vóór of buiten het huwelijk zijn sexuele behoeftes bevredigde werd dus een oogje dichtgeknepen, terwijl het bij de vrouw verlies van haar eer en fatsoenlijkheid betekende.

Onderdrukking en ontkenning van de sexualiteit en de zogenaamde dubbele moraal waren, zoals Peter Gay in Education of the senses laat zien, maar één kant van het verhaal over de 19e eeuwse, Victoriaanse, sexuele moraal. Aan de hand van dagboeken, brieven en 19e eeuwse onderzoeken naar sexualiteit laat hij zien dat de burgerlijke ervaring op erotisch gebied veel rijker was dan de uitdrukking ervan doet vermoeden (48). Zo ontkrachten persoonlijke documenten het beeld van de preutse, a-sexuele burgervrouw en blijken mannen zich minder afzijdig te houden van de echtgenote en familie-aangelegenheden als vaak wordt aangenomen. Uit de getuigenissen blijkt dat mannen wel degelijk de volledige verantwoordelijkheid op zich namen voor hun erotische leven (49).

Volgens Peter Gay betekende het feit dat de 19e eeuwse burgerij niet over sexualiteit praatte niet dat zij het niet kende, praktiseerden of ervan genoten. De 19e eeuw was echter, zoals ik ook in de vorige paragraaf heb geprobeerd aan te tonen, een privacy-cultuur - de kloof tussen openbaarheid en privéleven was zeer groot - en sexualiteit was een privé-aangelegenheid.

Dit verschil tussen de uitlatingen over sexualiteit in de openbaarheid en het werkelijke gedrag in de privé-sfeer gaf de 19e eeuw de reputatie van een hypocriet tijdperk (50). Maar uiteindelijk stelt elke beschaving grenzen aan de ongeremde uiting van de instincten en de driften (51). Dat was geen uitvinding van de 19e eeuwse burgerij. Het Christendom had een gemakkelijke oplossing gehad om het driftleven van de gelovigen onder controle te houden: zinnelijk verlangen was het werk van de duivel en lichamelijk genot een zonde. Zo kon met een eenvoudig verbod een strenge moraal doorgezet worden.

De 19e eeuwse burgerij had daarentegen - als erfgenaam van de Verlichting - een probleem. 'Als eine tolerante, längst nicht mehr teufelsgläubige und kaum mehr gottgläubige Epoche' moest zij naar andere middelen zoeken om deze grenzen in stand te houden, want sexualiteit bleef een storend, anarchistisch element (52). De oplossing van de burgerij bestond eruit dat zij sexualiteit eenvoudigweg ontweek, ontkende en negeerde. Al kon zij sexualiteit niet geheel uit de wereld bannen, zij kon haar wel onzichtbaar maken. Alles wat aan haar bestaan kon herinneren werd uit de openbaarheid, de school, en de familie verbannen. 'In diesem Wahn, durch Ignorieren zu temporieren, vereinten sich alle Instanzen zu einem gemeinsamen Boycott durch hermetisch Schweigen' (53). Deze 'consensus' onder de 19e eeuwse burgerij, dat sexualiteit iets was waarover niet gesproken mocht worden, noemt Peter Gay de 'conspiracy of silence' (54).

Om deze onderdrukking van de sexualiteit in stand te houden en te rechtvaardigen werd de hulp van de medische wetenschap ingeroepen. De medische wetenschap speelde een belangrijke rol in het stimuleren van onwetendheid over sexualiteit en het verspreiden van bijgeloof over de werking van het menselijk lichaam (55). Typerend hiervoor was de campagne tegen masturbatie. Een belangrijk onderdeel van dit systeem van de beheersing van de driften vormde het onderscheid tussen normaal en abnormaal. Iedereen die de grenzen van het normale, zoals die door medici waren gedefinieerd, overschreed, werd als abnormaal bestempeld - werd een vreemde buiten de kudde - en vormde een bedreiging van de bestaande orde (56). De 'Verteufelung der Lust' door het christendom kreeg in de 19e eeuw dus een natuurwetenschappelijke 'onderbouwing', omdat de oude theologische verklaring niet meer voldeed. En artsen vervingen als bewakers van het 'normale' de geestelijkheid.

De artsen waar het hier om gaat, waren geen wereldvreemde fanaten. Vaak waren het wetenschappers met veel prestige, die, volgens Peter Gay, met twee soorten angsten kampten (57). In de eerste plaats vergrote de scepsis waarmee hun patiënten tegen de medische wetenschap aankeken, en de revolutionaire ontwikkelingen op hun vakgebied, de onzekerheid van veel medici over hun eigen kunnen. In de tweede plaats zijn medici ook een spiegel van hun cultuur. Zij weerspiegelden de angsten van de 19e eeuwse burgerij dat zij de controle over het maatschappelijk gebeuren aan het verliezen waren. Het tegengif tegen de chaos van de moderne tijd waren vaste structuren, zoals het onderscheid tussen normaal en abnormaal en het vaste rollenpatroon tussen man en vrouw, waarin orde en harmonie tot uitdrukking kwamen (58).

De natuurwetenschappelijke rechtvaardiging van de onderdrukking van de sexualiteit maakte van de preutsheid een systematische toegepast machtsmiddel waarmee de onderdanen in het gareel gehouden werden (59). Ontwijkingen, preutsheid en 'hypocrisie', die de 19e eeuwse sexuele moraal kenmerkten, waren dus net als de familie-ideologie en de 'domestizierung' van de vrouw, culturele verdedigingsmiddelen bij het zoeken naar innerlijke zekerheid in een snel veranderende wereld.

Sigmund Freud was degene die een gevaarlijke bres sloeg in dit 19e eeuwse systeem van de driftbeheersing. Hij legde de onbewuste krachten en kinderlijke oorsprong van de sexualiteit bloot. Bovendien 'ontdekte' hij achter 'het masker van schaamte, gereserveerdheid en verminkende frigiditeit' de sexualiteit van de vrouw en hij liet zien tot welke neuroses verdringing van de sexualiteit uit het bewustzijn kon leiden (60). Freud maakte op deze manier korte metten met een verzameling vooroordelen en bijgeloof in de medische wetenschap. Maar het was pas vlak voor de Eerste Wereldoorlog dat Freud gehoor kreeg onder het grote publiek. Freud's belangrijkste werk Die Traumdeutung verscheen in 1900 met een oplage van 600. Daarvan werden in de eerste zes weken 123 exemplaren verkocht. Pas na acht jaar was het boek uitverkocht. In 1910 verscheen een nieuwe druk van het boek, maar toen werd het binnen korte tijd een 'bestseller' (61).