Error message

Deprecated function: The each() function is deprecated. This message will be suppressed on further calls in book_prev() (line 775 of /var/www/clients/client25072/web36725/web/home/modules/book/book.module).

‘Die erotische Revolution'

Volgens de publicist Klaus Rainer Röhl voltrok zich tijdens de Eerste Wereldoorlog inderdaad een revolutionaire omslag op het gebied van de sexuele moraal: 'Die Dämme einer bürgerlichen Sexualmoral im Vorkriegseuropa, auch schon vor des Beginn des Krieges vielfältig durchlöchert und zerfressen, sind bereits kurz nach Ausbruchs des Krieges massiv an der ganzen Front gebrochen' (1). Contemporaine schrijvers bevestigen dit beeld.

In dit hoofdstuk wil ik nagaan waarom er sprake was van een sexuele revolutie tijdens de Eerste Wereldoorlog en welke gevolgen dit had voor de 'Victoriaanse' sexuele moraal. Een verandering van de sexuele moraal of anders gezegd een verandering in de opvattingen over het huwelijk, het gebruik van voorbehoedsmiddelen, abortus of dergelijke kan immers belangrijke consequenties hebben voor de vrouw. Het zou haar kunnen bevrijden van de Victoriaanse 'kuisheidsgordel' en meer vrijheid geven ten aanzien van haar belangrijkste taak: het moederschap.

Frontbordelen en 'gelegenheids-prostitutie'

Ook in het Wilhelminische Duitsland waren er in de snel groeiende steden een groot aantal vrouwen die zich uit armoede prostitueerden. Er waren burgerlijke salons en groepen bohémiens waarbinnen de grens tussen een vrijere moraal en prostitutie moeilijk te trekken was (2). Een zekere mate van vrijheid bestond dus aan de onder- en bovenkant van de maatschappij. Maar daartussen lag de wereld van de brave burgers, handwerkers en boeren, de dragers van de kleinburgerlijke moraal.

Wat zich na het uitbreken van de oorlog aan de fronten afspeelde leek in niets meer op deze Victoriaanse samenleving. Oorlogshuwelijken werden in de haast gesloten, verlovingen in aller ijl toegezegd en daarna vertrokken de mannen naar het front. Aanvankelijk werd de eed van trouw nog gehouden, maar voor de meeste soldaten duurde het verblijf aan het front te lang om het daar bij te laten. Gemiddeld verbleven soldaten tien tot twaalf maanden aan het front, voordat zij op 'Hinterurlaub' mochten (3). Om in die periode toch hun sexuele behoeftes te bevredigen waren zij aangewezen op de diensten die hen door lokale 'Dirnen' verleend werden of op de welwillendheid van de verpleegsters die aan het front werkten. De bandeloosheid aan het front kwam echter niet alleen voort uit een 'sexuelle Not' van de soldaten, ook de constante nabijheid van de dood speelde een belangrijke rol. Vandaag, alleen vandaag moest men van het leven genieten; morgen kon men bevroren, verhongerd, neergeschoten, vergast, verblind of kreupel zijn (4).

De legerleiding kwam tegemoet aan de behoeftes van de soldaten door de organisatie van bordelen achter het front. Daarmee beoogden de autoriteiten tegelijk een hygiënisch doel, namelijk het beheersen van de snel om zich heen grijpende geslachtsziektes (5). Van deze bordelen werd door de soldaten dankbaar gebruik gemaakt. Een ooggetuige verteld daarover: 'Wie stark der Andrang vor den größeren Bordellen war, habe ich in Combrai selbst erlebt, wo die Soldaten in langer Reihe bis auf die Straße anstanden' (6). Eind 1916 werd in veel bordelen voor de bescherming van de meisjes een bewakingsdienst aangesteld. Deze moest er voor waken dat er niet meer dan tien man tegelijk binnen gelaten werd. 'Der Andrang war jedoch so stark, daß zu wiederholten Malen die Türen eingedrückt wurden...Auch in dem für Offiziere bestimmten Hause gab es unfreuliche Auftritte, hervorgerufen durch den starken Andrang' (7). Ondanks de gedetailleerde organisatie van het bordeelbedrijf was de illegale prostitutie niet de kop in te drukken en nam de verspreiding van de geslachtsziekten tijdens de oorlog schrikbarende vormen aan.

Deze praktijken aan het front waren volgens Magnus Hirschfeld funest voor de vooroorlogse moraal. Binnen de 19e eeuwse samenleving was sexualiteit alleen toegestaan binnen het huwelijk. Tijdens de oorlog hielden het gezins- en huwelijksleven tijdelijk op te bestaan. Echtelieden leefden in veel gevallen jarenlang gescheiden van elkaar en van een huwelijk in de normale zin was geen sprake meer. Daarmee was 'die einzige Möglichkeit der legitimen, vor der Moral anerkannten und zugelassenen Triebbetätigung...dem Krieg zum Opfer gefallen' (8). In de plaats van het huwelijk kwam aan het front en in het achterland de oorlogsprostitutie. Het resultaat van dat alles was, volgens Hirschfeld, een morele chaos, waarin van de burgerlijke moraal geen spoor meer te vinden was (9).

Maar niet alleen de mannen aan het front voelden zich bevrijd van de remmen die opvoeding, beroep en omgeving eens op hun driftleven hadden gelegd - voor vrouwen gold hetzelfde (10). De oorlogspropaganda maande onophoudelijk de mannen aan het front niet in de rug aan te vallen. Maar het ideaal van de trouwe echtgenote en moeder bleek niet opgewassen te zijn tegen de oorlogssituatie. Met name vrouwen in de bezette gebieden hadden het zwaar te verduren. Door de jarenlange bezetting was er in deze gebieden geen vee meer aanwezig en de velden waren omgeploegd en onbebouwd. Daardoor kon het volgens de schrijver Alfons Schoene gebeuren 'daß Frauen aus bis dahin eine auskömmliche Existenz besitzenden Bürgerkreisen sich den Truppenangehörigen für Brot, für Essenresten aus der Feldküche, ja für ein Stücke Fleisch von gefallenem Vieh anboten' (11). Maar niet alleen aan het front ook in het achterland bloeide de 'gelegenheids-prostitutie' op. Veel vrouwen zagen een jaar lang hun man niet en verkeerden vaak in de onzekerheid of hun man überhaupt nog leefde. Voor veel van deze vrouwen was het aangaan van buitenechtelijke relaties geen uitzondering. En alles werd verontschuldigd en verklaard met de ene zin: 'Was wollen Sie? Es ist Krieg' (12).

De 'cultus van Eros'

De 'sexuele anarchie' die tijdens de oorlog aan de fronten en in het achterland heerste, kwam met de ondertekening van de wapenstilstand niet plotseling ten einde. Het was een levensvorm die zich in de eerste chaotische jaren na de oorlog voortzette.

De inflatie die in de loop van 1921 op gang gekomen was, nam na de bezetting van het Ruhr-gebied door Fransen en Belgische troepen in januari 1923 ongekende vormen aan. De munte zakte dagelijks in waarde. In oktober van 1923 had men miljoenen marken nodig om een stuk brood of een krop sla te kopen of een brief te posten. De middenstand verloor al zijn spaargeld, terwijl speculanten schatrijk werden.

Deze politieke en financiële chaos leidde echter niet tot apathie of berusting, maar tot een - aan het hysterische grenzende - levenslust (13). 'Het Europa, en vooral het Duitsland van de vroege jaren twintig, was tegelijkertijd uitgeput en in hectische beroering', schreef Klaus Mann (14). 'Miljoenen ondervoede, gecorrumpeerde, vertwijfeld geile, razend naar genot zoekende mannen en vrouwen draaiden en tuimelden in het jazz-delirium...De beurs danst op en neer, de ministers wankelen, de Rijksdag haalt capriolen uit. Oorlogsinvaliden en oorlogswinstmakers, filmsterren en prostituées, gepensioneerde monarchen (met vorstelijke uitkeringen), gepensioneerde leraren (zonder enige uitkering) - alles laat zijn handen wapperen in een afgrijselijke euforie'...'Ze dansen honger en hysterie, angst en begeerte, paniek en ontzetting' (15). In Berlijn werd de apocalyptische stemming die in Duitsland heerste in extreme mate weerspiegeld. Berlijn veranderde volgens Klaus Mann en Stefan Zweig in het Babel van de wereld (16). Niet alleen het geld verloor hier iedere dag meer van zijn waarde ook van de oude zeden en moraal bleef weinig heel. Bars, dansgelegenheden en theaters, schoten als paddestoelen uit de grond en werden druk bevolkt (17).

Otto Dix - Metropolis (1928)

Otto Dix (boven) en George Grosz (onder) schilderden na de Eerste Wereldoorlog de 'Cultus van Eros'.

Aan het einde van 1923 keerde de rust weer en kwam ook het gewone dagelijkse leven weer op gang. De periode tussen 1924 en 1929 werd gekenmerkt door politieke en financiële stabiliteit. Door verschillende schrijvers werd nu de balans opgemaakt van hetgeen er over was gebleven van de vooroorlogse sexuele moraal. G. L. Mosse schrijft: 'The tolerance for all forms of sexuality in the Berlin of the Weimar Republic needs no documantation', maar, zo vervolgd hij 'the Bourgeois order held; indeed, its survival was never in doubt' (18). De stelligheid waarmee Mosse dit beweert staat in schril contrast met de paniek of juist het enthousiasme waarmee tijdgenoten schrijven over de sexuele revolutie in de jaren twintig. Zo spreekt één auteur over de 'Umwertung aller moralischen Werte' sinds de oorlog en Gertrud Bäumer schreef 'Der Krieg hat sittliche Traditionen radikal zerbrochen' (19).

Deze omwenteling betekende voor sommigen een bevrijding van de strenge, hypocriete, vooroorlogse moraal. Zo schreef Klaus Mann in zijn enthousiasme: 'Wij konden niet afwijken van een zedelijke norm: zo'n norm bestond niet. De morele clichés van het bourgeoistijdperk, deze atavistische taboes van een tegelijkertijd van eigendunk verzadigde en neurotisch geremde samenleving, hadden in de jaren van oorlog en revolutie hun autoriteit en overtuigingskracht verloren, eindelijk, zoals wij toen graag geloofden. Zo grondig afgedankt, zo volkomen 'passé' leek ons deze puriteins-burgerlijk moraal' (20). Anderen waren echter minder enthousiast en gebruiken de term 'sexuellen Krisis' in hun beschrijving van de gevolgen van de oorlog (21).

De historicus Willem Melching onderscheidt in de maatschappelijke discussie die in de jaren twintig werd gevoerd rond de 'neue Sexualmoral' twee groepen (22). Enerzijds een vooruitstrevende groep schrijvers en organisaties, die pleitten voor een versoepeling van de mogelijkheden tot echtscheiding, voor een actieve geboortebeperking en het opheffen van §218 en voor een liberale houding ten aanzien van homosexualiteit. Anderzijds de groep die in de ontwikkelingen op het gebied van de sexuele moraal een teken zagen van moreel verval en pleitten voor een herstel van de strenge, vooroorlogse moraal.

Deze twee 'groepen' stonden ook tegenover elkaar in de discussie rond het gebruik van voorbehoedsmiddelen en de toelaatbaarheid van abortus. Hierop wil ik in de nu volgende twee paragraven dieper ingaan. De daling van het geboortecijfer na de eerste wereldoorlog en de toename van het gebruik van voorbehoedsmiddelen dat daaraan ten grondslag moet liggen, kan immers een belangrijke indikatie zijn voor een veranderde houding ten aanzien van sexualiteit en de nieuwe sexuele moraal.

Discussie rond geboorteregeling

De daling van het geboortecijfer die rond de eeuwwisseling was begonnen, zette na de Eerste Wereldoorlog verder door en deed de discussie die rond 1900 was ontstaan rond de 'Gebärstreik' opnieuw oplaaien. Deze snelle daling van het vruchtbaarheidscijfer is nog duidelijker te zien als wordt gekeken naar het aantal kinderen dat gemiddeld per huwelijk werd geboren in Duitsland (23):

1881/90

 

 

1891/00

 

 

1901/13

 

 

1919/28

 

 

1929

 

 

4,7

 

 

4,4

 

 

4,0

 

 

2,1

 

 

1,9

 

 

Er is een groot verschil te zien tussen de tijd voor en na de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog deed het 'Zweikindersystem' zijn intrede (24).

Voor conservatieve groeperingen waren deze gegevens, ondanks het feit dat er nog steeds sprake was van een geboorteoverschot in Duitsland, aanleiding voor een paniekreactie over het 'uitsterven van het Duitse volk' en de 'Untergang der Nation'. De teruggang van het geboortecijfer stond voor hen gelijk aan verlies van macht, aanzien, prestige en militaire kracht van een staat (25). Uit de grondwet van Weimar blijkt dat de overheid na de Eerste Wereldoorlog eveneens veel waarde hechtte aan grote gezinnen. In de grondwet staat immers: 'Kinderreiche Familien haben Anspruch auf ausgleichende Fürsorge' (26).

De plotselinge terugloop van het geboortecijfer verklaart de arts Ernst Bien uit het feit dat de lagere klassen na de Eerste Wereldoorlog in toenemde mate aan anticonceptie gingen doen. Zij hadden immers altijd 'das zahlenmäßig größte Bevölkerungskontingent geliefert' (27). Het waren altijd de arbeiders, lagere burgerij en de kleine boeren geweest die gezegend waren met kinderrijke gezinnen. Toch waren voorbehoedmiddelen al in de 19e eeuw uitgevonden, maar, volgens Ernst Bien, was de kennis omtrent deze middelen toen nog niet erg wijd verspreid en het gebruik ervan was beperkt tot de klasse die het kon betalen (28). De oorlog bracht hier verandering in. Tijdens de oorlog steeg de produktie van condooms enorm (wat de prijs deed dalen) en de kennis erover verspreide zich snel (29). Niet iedereen was enthousiast over deze ontwikkelingen. Zo stond de meerderheid van de vrouwenbeweging nog steeds negatief tegenover het gebruik van voorbehoedsmiddelen en abortus. Tijdens de oorlog was de reeds voor 1914 gevoerde discussie over geboorteteruggang en bevolkingspolitiek weer actueel geworden. Lily Braun sprak in 1915 een scherpe veroordeling uit tegen het gebruik van voorbehoedsmiddelen. Als Frankrijk de oorlog verloor was dat volgens Braun niet dankzij de wapenfeiten, maar de schuld van de Franse vrouw, die geen kinderen meer op de wereld zette (30). Om een dergelijke ontwikkeling in Duitsland tegen te gaan, moest de vrouwenbeweging meewerken aan een verbetering van de economische omstandigheden, zodat elke vrouw in de toekomst de mogelijkheid kreeg om haar 'natuurlijke' bestemming zonder verdere hindernissen te vervullen (31). Dat was een kwestie van 'Sein oder Nichtsein des Staates'. De BDF sprak zich in juni 1916 ook uit voor een dergelijke 'qualitatieve' bevolkingspolitiek (32).

De BDF voerde echter een ambivalente en weinig principiële politiek ten aanzien van het gebruik van voorbehoedsmiddelen. In een in 1917 door de BDF uitgegeven 'Richtlinien zur Bevölkerungspolitik' werd het algemene verbod dat reeds bestond op reklame en verkoop van anticonceptie onderschreven. Maar de verkoop in apotheken en drogisterijen moest worden toegestaan, omdat 'im Interesse mancher wirtschaftlich bedrückten Familie oder zur Schonung der Frau die Berechtiging einer Beschränkung der Kinderzahl nicht ganz abzuweisen' was (33). In het actieprogramma dat de BDF begin 1919 opstelde pleitte zij voor een verbod op anticonceptie, maar middelen die onschadelijk waren voor de gezondheid hoefden wat hen betreft niet onder 'Rezeptzwang' gesteld te worden (34). De BDF bleef vasthouden aan de strafbaarheid van abortus, maar moest bij gevaar voor het leven van de moeder en op eugenetische gronden mogelijk zijn. En volgens Marianne Weber vereiste het maatschappelijk welzijn 'die Regulierung der Kinderzahl' (35).

Voorstanders van geboortebeperking, die vooral te vinden waren in de 'Institut für Sexualwissenschaft' en de Bund für Mutterschutz en onder linkse schrijvers en kunstenaars, zoals de kring van auteurs rond de 'Weltbühne', verdedigden het gebruik van voorbehoedsmiddelen door er op te wijzen dat gewenste kinderen in betere omstandigheden konden worden grootgebracht (36). Bovendien verhoogde het gebruik van voorbehoedsmiddelen de kans op gelukkiger huwelijken, omdat de kans op een ongewenste zwangerschap afnam (37). Twee praktische argumenten waren nog dat het condoom een goed middel was tegen geslachtsziekten en het gebruik van voorbehoedsmiddelen kon het aantal abortussen terugdringen (38).

'Nieder mit dem Abtreibungsparagraphen!'

In de jaren twintig laaide ook de strijd over de strafbaarheid van abortus (§ 218), die voor de Eerste Wereldoorlog was begonnen, in alle hevigheid op. Op 2 juli 1920 diende de USPD in de Rijksdag een wetsvoorstel in dat de nodige opschudding veroorzaakte. De USPD wilde dat §218 volledig geschrapt werd (39). Enige weken later, op 31 juli, eiste de SPD in een tegenvoorstel legalisering van de abortussen die in de eerste drie maanden van de zwangerschap werden uitgevoerd (40). Beide wetsvoorstellen werden verworpen. De tegenstanders van legalisering van abortus, de Deutschnationalen, de conservatieve Volkspartei en het Zentrum, waren nog steeds in de meerderheid.

De discussie over § 218 was daarmee echter niet gesloten. Herhaaldelijk stelde de KPD de 'Gebärzwang' in de jaren twintig in de Rijksdag aan de kaak en ook daarbuiten werden acties gevoerd en demonstraties gehouden tegen §218. Artsen van de 'Sexualberatungsstellen', wetenschappers, schrijvers en kunstenaars ondersteunden deze protesten. De kunstenares Käthe Kollwitz ontwierp voor de SPD de affiches 'Nieder mit dem Abtreibungsparagraphen!' en Berthold Brecht, Kurt Tucholski en andere auteurs van de Weltbühne bekritiseerden in hun artikelen §218.

Käthe Kollwitz - Nieder mit den Abtreibungs-Paragraphen!

Käthe Kollwitz - Nieder mit den Abtreibungs-Paragraphen! (1924)

Het eerste punt van kritiek op §218 had betrekking op het grote verschil tussen het aantal veroordelingen op basis van §218 en het werkelijke aantal abortussen. In 1914 had Alfred Grotjahn het aantal abortussen per jaar geschat op 200.000 (41). De schatting van het aantal abortussen per jaar lag na de Eerste Wereldoorlog nog hoger. Professor Liepmann schatte het aantal abortussen in Duitsland in 1924 op 875.750 (42). Het aantal veroordelingen op basis van §218 steeg ook, maar lag aanzienlijk lager In 1914 werden 1473 vrouwen veroordeeld, in 1924: 5296, in 1926: 4000 en in 1927: 531.343. Deze discrepantie tussen het werkelijke aantal abortussen en het aantal veroordelingen op basis van §218 maakte, volgens de Weltbühne het strafrecht tot 'loterij-justici' en deze rechtsongelijkheid deed op haar beurt afbreuk aan de geloofwaardigheid van de rechtsstaat (44). In de tweede plaats duidde dit enorme aantal abortussen op een verandering van de zeden en gewoonten van de burgerij. De wetgeving moest, volgens diezelfde Weltbühne daaraan aangepast worden (45). Ernst Bien vraagt zich in de derde plaats af wat de staat met een dergelijke strafwetgeving beoogd, want het werkt kwakzalverij in de hand waardoor het leven van veel vrouwen juist in gevaar komt (46). Het aantal sterfgevallen als gevolg van een slecht uitgevoerde abortus werd in Duitsland op 25.000 per jaar geschat (47). Tegenstanders van §218 wezen vaak op de ontwikkelingen in de Sovjet Unie waar sinds de legalisering van abortus het aantal sterfgevallen als gevolg daarvan sterk was afgenomen (48). In de vierde plaats maakten de overbevolking en de sociale wantoestanden in de steden legalisering van abortus noodzakelijk. Ten slotte vond men de strafbaarheid van abortus een aantasting van het zelfbeschikkingsrecht van het individu (49).

De 'Umwertung aller moralischen Werte'

De daling van het geboortecijfer werd veroorzaakt door de toename van het gebruik van voorbehoedsmiddelen. Het is echter de vraag waarom dit juist na de Eerste Wereldoorlog gebeurde. Ernst Bien is van mening dat dit samenhangt met een 'Umwertung aller moralischen Werte' sinds de Eerste Wereldoorlog, die tot een andere omgang met sexualiteit leidde (50). De sexuoloog Julius Wolf omschrijft dit proces als de 'Rationalisierung' van de sexualiteit (51). Sexualiteit en voortplanting werden altijd als een eenheid beschouwd. Volgens Wolf staan deze zaken echter los van elkaar. Voortplanting is een vrije keuze en geen instinct en staat geheel los van de sexuele drift: 'es [gibt] keinen Zeugungstrieb, sondern nur einen Zeugungswillen' (52). Deze redenering betekende een volledige loskoppeling van sexualiteit en het voortbrengen van kinderen en dat betekende een radikale breuk met de 19e eeuwse gedachtegang dat sexualiteit met andere doelen dan de voortplanting pervers en abnormaal was. Er moet echter nog wel worden opgemerkt dat sexualiteit met andere doelen dan de voortplanting volgens de vooroorlogse moraal onzedelijk was, maar ook door de 19e eeuwse burgerij werd reeds aan anticonceptie en derhalve aan rationele gezinsplanning gedaan. Het verschil met de tijd voor de oorlog was de schaal waarop het gebeurde.

Een andere ontwikkeling op het gebied van de sexuele moraal - en dat is mijns inziens nog belangrijker - was de openheid waarmee men over sexualiteit, en alles wat daarmee samenhangt, sprak.

De 19e eeuw was, zoals ik in het eerste hoofdstuk beschreef, een privacy-cultuur, de kloof tussen openbaarheid en privé-sfeer was zeer groot. 'My house is my castle' was het trotse devies van de 19e eeuwse burgerij (53). Sexualiteit was een privé aangelegenheid en er werd alles aan gedaan om dat zo te houden. Magnus Hirschfeld verwoord in zijn boek Sittengeschichte des 20. Jahrhunderts (deel 2) de houding van de burgerij ten aanzien van sexualiteit: 'Mein Geslechtsleben ist, solange ich es sorgsam hinter den Wanden meines bürgerlichen Heimes verberge, eine Privatsache, die die Gemeinschaft nichts angehe' (54). Volgens Hirschfeld doorbrak de oorlog deze privacy-cultuur. Tijdens de oorlog trad, volgens Hirschfeld, een 'Kollektivierung des Individuums' op (55). In de plaats van het individualisme, dat kenmerkend was geweest voor de 19e eeuw, trad een gevoel van verbondenheid met de gemeenschap. Dat gebeurde aan het thuisfront, maar ook, in letterlijke zin, in de loopgraven. Jarenlang leefden mannen hier dicht op elkaar en van privacy was hier geen sprake meer.

Door de doorbraak van de burgerlijke privacy-cultus veranderde ook de omgang met sexualiteit. Door de oorlog werd de stilte rond het onderwerp sexualiteit doorbroken. Er kwam anders gezegd een einde aan de 'Vogel-Strauss-Politik' die de 19e eeuwse burgerij ten aanzien van het onderwerp sexualiteit voerde (56). Tekenend hiervoor waren de openlijke discussies in de Rijksdag en in verschillende tijdschriften rond het gebruik van voorbehoedsmiddelen en abortus. Een ander voorbeeld is de erkenning van de sexuologie als officiële wetenschap. Zij had, volgens Bien, na de Eerste Wereloorlog geen last meer van aanklachten door de overheid of van censuur, 'sie benötigte keine Feigenblätter mehr und brauchte aus ihrem Herzen keine Mördergrube zu machen' (57). Een laatste voorbeeld voor de openheid waarmee in de jaren twintig over sexualiteit werd gesproken, is het boek 'Het volkomen huwelijk'  van de Nederlandse arts Th. van der Velde. In dit boek gaat van der Velde uitgebreid in op de erotische aspecten van het huwelijk en zet hij uiteen hoe aantrekkelijk het huwelijk in dat opzicht kan zijn. Het uitgangspunt van van der Velde is dat sexualiteit en voortplanting niet noodzakelijk aan elkaar gekoppeld zijn. Een dergelijk 'onzedelijk' boek had, volgens Ernst Bien, voor de oorlog een storm van verontwaardiging veroorzaakt (58). Na de Eerste Wereldoorlog was dat niet meer het geval. Het boek bereikte in de Duitse vertaling in 1928 reeds zijn 24e druk (59). De openheid waarmee van der Velde schreef over sexualiteit was revolutionair en tegelijkertijd tekenend voor de 'neue Sexualmoral'.