Hijstek tekst en research



Kennislink taal

Syndicate content
Updated: 1 hour 13 min ago

Taalfout maakt in één klap duidelijk hoe bijzonder iemand is

Sat, 04/02/2012 - 05:07

‘Stefanie is een van de weinige studenten die wel een kamer heeft gevonden in Amsterdam.’ ‘Steven is een van de velen die aan dit onderzoek heeft meegedaan.’ De Nijmeegse taalwetenschappers onderzochten 268 zinnen van dit type, die ze vonden op het internetforum Fok!. Ze kozen voor die bron omdat het hen ging om spontaan geschreven tekst, waar mensen niet al te lang over nadenken en waarbij geen eindredacteur is die hen verbetert. In maar liefst 80 procent van de gevallen bleken schrijvers te kiezen voor de ‘foute’ persoonsvorm in deze constructie. Maar waarom?

Hoogleraar Taalwetenschap Helen de Hoop.

Bijzonder! Speciaal!

“We hebben lang gezocht naar een significante factor”, vertelt hoogleraar Taalwetenschap Helen de Hoop. Slechts twee factoren bleken er toe te doen: of er wel of niet een zelfstandig naamwoord staat in de eerste helft van de constructie en of de constructie een bepaald contrast oproept. Staat er ‘een van de velen’ in plaats van ‘een van de vele deelnemers’, dan kiezen schrijvers nog vaker – in 90 procent van de gevallen – voor de ‘foute’ persoonsvorm.

En wat dat contrast betreft: “Het blijkt dat deze constructie vooral wordt gebruikt om duidelijk te maken dat iemand een bijzondere eigenschap heeft of iets doet wat afwijkt. Zeker, je hebt zinnen als ‘Mark is een van de slachtoffers van het verkeersongeluk die nog in het ziekenhuis ligt’, waarbij Mark niet anders is dan de andere slachtoffers, maar wat je vaker ziet, zijn zinnen als ‘Mark is een van de weinige slachtoffers die het ziekenhuis heeft mogen verlaten’. Of: ‘Ik ben een van de zeldzame mannen die niet de hele dag aan seks denkt.’ Zinnen waarbij over het onderwerp van de zin – Mark, ik – wordt verteld dat daar iets speciaals mee is.”

Efficiënte keuze

En omdat het onderwerp dat zo bijzonder is, enkelvoud is, kiezen schrijvers als vanzelf voor een persoonsvorm in enkelvoud in de bijzin die volgt; ook al is dat verkeerd. Een keuze op semantische, betekenisinhoudelijke grond dus en niet op grammaticale grond.

“Het is efficiënt om die keuze te maken, want zo druk je in één klap uit dat er iets bijzonders aan de hand is met het onderwerp van de zin. Te verwachten valt dan ook dat het gebruik van deze ‘verkeerde’ constructie alleen maar toe zal nemen en ook – en dat zien we ook al – gebruikt zal worden in gevallen waarin het voor de betekenis niet nodig is. Net zolang tot niemand meer weet wat ook alweer de norm was.”

Op zaterdag 4 februari vindt de jaarlijkse Taalkunde in Nederland-dag plaats in Utrecht. Het programma van deze dag is hier te vinden.

Categories: Feedblock

“We onderschatten wat kinderen aankunnen”

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Meertaligheid is een beladen begrip. Eigenlijk maken sociolinguïsten zoals Cornips allang geen onderscheid meer tussen één- en tweetaligen. Want in feite is ieders taal doorspekt met ‘vreemde’ woorden, en zijn we dus allemaal meertalig. Taal zet je heel bewust in om je identiteit uit te drukken. Of zoals de onderzoeker het verwoordt: “Taal is een heel gevoelig middel om mensen in en uit te sluiten. Dat is ook waarom taal continu varieert en waarom ook niet iedereen hetzelfde spreekt.”

Tweeslachtig

Taalvariëteiten worden om die reden maar moeilijk los gezien van bepaalde sociale groepen in de samenleving. En dat verklaart waarom de Nederlander nogal tweeslachtig is in zijn kijk op meertaligheid: “In onze samenleving wordt meertaligheid als gunstig beoordeeld wanneer mensen Engels spreken, want dat is een hoog gewaardeerde taal. Maar als je kijkt naar zo’n gedragscode van voormalig burgemeester Opstelten, dan is het niet de bedoeling dat Marokkaans, Arabisch of Berbers in de openbare ruimte worden gesproken. Mensen worden opeens paniekerig als het gaat om talen van sprekers met een minder hoog aanzien, of mensen die als probleemmakers gezien worden.”

Afbeelding: © Caroline de Roy

Maar als je vanuit een puur taalkundig perspectief naar meertaligheid kijkt, dan blijkt dat een meertalige opvoeding in geen enkel opzicht nadelig is. In de taalontwikkeling doorlopen tweetalige kinderen vaak hetzelfde pad als eentalige kinderen.

Cornips: “Het lijkt er zelfs op dat een meertalige opvoeding voordelen heeft. Dat zie je bij kinderen die opgroeien met het Limburgs dialect en het Nederlands. Die zijn sneller in de verwerving van het grammaticaal geslacht – het verschil tussen de- en het-woorden – omdat het Limburgs drie geslachten onderscheidt. Zo zijn er drie lidwoorden. Maar geslacht komt ook tot uitdrukking in het bezittelijk voornaamwoord. Het is mijn boek en mijne tafel. Limburgse kinderen hebben dus veel sneller in de gaten dat er zoiets is als grammaticaal geslacht. Op het moment dat zij Nederlands leren, zijn ze daar gevoeliger voor dan kinderen die geen Limburgs als moedertaal hebben.”

Straattaal

Toch associëren mensen de taal van veel stadse jongeren – ook wel straattaal genoemd – vaak met incorrect taalgebruik. Deze jongeren zeggen bijvoorbeeld de meisje in plaats van het meisje. Maar betekent dat echt dat ze het Nederlands slecht beheersen?

“Nee”, legt Cornips uit: “in straataal gebruiken jongeren de lidwoorden bewust verkeerd. Een van de Rotterdamse jongeren die geïnterviewd is door mijn collega’s Margreet Dorleijn en Jacomine Nortier, formuleerde het als volgt: ‘Wanneer ik het huis zeg hier in de straat met mijn vrienden, dan staat dat zó stom! Dat doe ik dus echt niet.’ De taalkundige kennis van deze jongeren is dus verbluffend goed, want er wordt bewust gemanipuleerd met lidwoorden.”

Afbeelding: © Caroline de Roy

“Het is overigens gek dat er zoveel over straattaal gesproken en geschreven wordt, zonder dat we er überhaupt opnames van hebben. We zien het soms voorbij komen in het journaal of in een dictee, maar nooit zien we het in de natuurlijke setting.”

Taalachterstand

Als kinderen een meertalige opvoeding krijgen, hoeven ze ook geen taalachterstand op te lopen. Onderzoek heeft uitgewezen dat een taalachterstand vooral te maken heeft met een verschil tussen schooltaal en thuistaal. “Docenten spreken vaak op een abstract niveau, over zaken die niet in het hier en nu spelen. Als je dit thuis niet aangeboden krijgt, wordt het lastig. Als ouder moet je dus een gevarieerd taalaanbod bieden: spelen, zingen, rekenen, spelletjes doen. Als dat in beide talen goed gebeurt, gaat een kind niet met een taalachterstand naar school. Als ouders denken dat kinderen maar één taal goed kunnen leren, onderschatten ze wat kinderen aankunnen.”

Leonie Cornips is onderzoeker aan het Meertens Instituut en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Maastricht.

Bron Zie ook:
Categories: Feedblock

Gedachtelezen kan echt, en is nuttig ook

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Jean-Dominique Bauby vertelt zijn verhaal met een knipperend oog. Afbeelding: © Wikimedia Commons

Toen het lichaam van Jean-Dominique Bauby na een herseninfarct compleet verlamd was, op zijn linkeroog na, schreef hij een boek. Aangezien hij niet kon spreken, formuleerde de Fransman elk woord dat hij wilde zeggen met de hulp van een assistent. Op een bordje liep elke afzonderlijke letter van het alfabet af tot hij met zijn oog knipperde bij de letter die hij bedoelde. In totaal kostte het Bauby meer dan 1600 uur en 200.000 oogknippers om zijn gedachten en verhaal met de rest van de wereld te delen.

Dat is bewonderenswaardig, maar niet erg praktisch. Honderdduizenden mensen die hun vermogen tot spreken zijn kwijtgeraakt – zoals bijvoorbeeld door de spierziekte ALS – hebben zware moeite met communiceren. De beroemde astronoom Stephen Hawking heeft het goed voor elkaar met zijn vernuftige spraakcomputer, maar haalt zelfs daarmee slechts 15 woorden per minuut.

De wetenschappers gebruikten elektroden als een afluisterapparaat voor het brein. Afbeelding: © Adeen Flinker, UC Berkely

Dat kan sneller

De nieuwe techniek van Brian Pasley en zijn collega’s van Berkeley University in de Verenigde Staten kan dat allemaal veranderen. Door hersenactiviteit te meten lukte het de onderzoekers om de woorden waaraan iemand denkt in een fractie van een seconde op een beeldscherm te zetten.

De methode maakt gebruik van het feit dat mensen die ooit konden praten, hun eigen spraak nog altijd in hun hoofd kunnen horen. Bij gezonde mensen gebeurt dat ook: vlak voordat de woorden van je tong rollen, speel je ze eerst af in je eigen gehoorcentrum, alsof de woorden al gesproken zijn.

Om zichtbaar te maken wat iemand wil zeggen – zo redeneerden de wetenschappers – hoef je dus alleen maar te begrijpen wat er zich precies in het gehoorcentrum afspeelt wanneer deze bepaalde woorden registreert. En dat is de onderzoekers nu globaal gelukt, schrijven ze in het tijdschrift PLoS Biology.

Implantaat als afluisterapparaat

Pasley vroeg hulp van epilepsiepatiënten, die voor een standaardprocedure sowieso al hun brein lieten doorlichten. Zo’n procedure houdt in dat een chirurg tientallen tot honderden kleine elektroden in de temporale kwab van de patiënt implanteert. De elektroden meten dan vervolgens de hersenactiviteit gedurende een week om te zien waar de epileptische aanvallen precies vandaan komen.

Het gehoorcentrum bevindt zich ook in die temporele kwab bevindt, dus meeluisteren met wat zich daar afspeelt was nog maar een kleine stap verwijderd van de controleprocedure zelf. Pasley had enkel expliciete toestemming van de epilepsiepatiënten nodig.

De onderzoeker liet vervolgens zijn groep van 15 deelnemers luisteren naar een gesprek van vijf à tien minuten. Tegelijk legde hij de activiteit van het gehoorcentrum vast. Daarna kwam het belangrijkste gedeelte: aan de hand van de elektrische hersenactiviteit aldaar het gesprek reconstrueren. Zoiets is haalbaar omdat uit eerder onderzoek blijkt dat het gehoorcentrum bij bepaalde klanken op een vaste manier reageert. Pasleys computerprogramma koppelt daarom razendsnel opnames van hersenactiviteit aan de juiste klanken.

Boven: het woord zoals je het uitspreekt. De twee plaatjes eronder zijn reconstructies aan de hand van hersenactiviteit. Afbeelding: © Brian Pasley, UC Berkeley

Geen telepathie

Om aan te tonen hoe goed zijn programma hierin is, deed Pasley een proef waar paranormale gedachtelezers jaloers van zouden worden. In de ene kamer sprak iemand een woord uit terwijl de proefpersonen luisterden. De daarop reagerende hersenactiviteit in het gehoorcentrum werd vervolgens door de computer in een andere kamer geanalyseerd, waarna de machine op basis daarvan het gesproken woord raadde.

In driekwart van de gevallen zat hij goed. Pasley denkt dat als hij de computer langer zou blootstellen aan klanken en hersenactiviteit, deze op een gegeven moment feilloos zou werken.

De gereconstrueerde klanken van het programma zijn niet te verstaan (zoals je hier kan horen), maar dat is in principe geen probleem voor herkenning. De digitale gedachtelezer maakt gebruik van een archief microfoonopnames vol helder uitgesproken woorden. Een snelle berekening en de computer weet welk archiefwoord het meest overeenkomt met de klank die hij zojuist uit het hersensignaal heeft gereconstrueerd.

Pasley vergelijkt dit proces met wat de componist Ludwig van Beethoven deed toen hij zijn gehoor kwijt was geraakt: als hij iemand piano zag spelen, kon hij op basis daarvan de klanken in zijn hoofd afspelen.

Pasley’s techniek herkent op dit moment slechts 47 woorden die in iemands gedachten kunnen opduiken. Ter vergelijking: het vocabulaire van de meeste mensen reikt ergens tussen de tien- en twintigduizend woorden.

Echt gedachten lezen zit er dus nog niet bij, maar Pasley zegt vooral te willen laten zien dat zijn techniek in principe werkt. Zijn collega Robert Knight ziet de vondst positief in: “Als je uiteindelijk hele gesprekken kan reconstrueren op basis van hersenactiviteit, dan zouden duizenden patiënten met een spraakgebrek hiervan kunnen profiteren.”

Bronnen: Zie ook: Over taal en hersenen Over spraakherkenning
Categories: Feedblock

Spinrag, het is net muziek

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Dit soort vergelijkende beeldspraak kan echter ook de wetenschap zelf verder helpen. Door vergelijkingen te trekken tussen twee op het eerste gezicht heel verschillende vakgebieden, kan kennis uit het ene gebied vertaald worden naar soms onvermoede kennis in het andere. Dit najaar publiceerden MIT-onderzoekers Tristan Giesa, David Spivak en Markus Buehler een artikel waarin ze pleiten voor een nieuw systeem voor het maken van zulke vergelijkingen. Met als voorbeeld een analogie tussen spinrag en muziek.

Het bestuderen van analogieën is nog een jong en ietwat obscuur vakgebied binnen de wiskunde, dat luistert naar de naam categorieëntheorie. Het is zo ongeveer het meest abstracte vakgebied waar een wiskundige zich in kan begeven. Men bestudeert er niet zozeer analogieën van iets; men bestudeert er de analogieën op zich. Om geheel zonder context te kunnen werken spreekt men er van ‘objecten’ en ‘pijlen’ die de relaties tussen die objecten weergeven. En ja, dit zijn echt de technische termen. Het is misschien niet verbazingwekkend dat sommigen dit vakgebied wegzetten als ‘abstract nonsense’.

Toch is het zeker geen onzin (al is het absoluut wel abstract). Want zo’n exercitie in contextloze verbanden levert een systeem op dat op allerlei gebieden toegepast kan worden, als een soort superwoordenboek dat je op alle mogelijke talen kunt loslaten. Een belangrijk resultaat dat men op deze manier behaalde, gaf een ‘vertaling’ van wiskundige structuren die de vorm van een ruimte beschrijven naar logische structuren die gaan over waarheid en onwaarheid. Allemaal nog steeds tamelijk abstract dus.

De MIT-onderzoekers pleiten er nu voor om ook buiten de wiskunde te kijken. Daartoe ontwikkelden ze een systeem dat altijd en overal toegepast kan worden om wetenschappelijke kennis op te slaan en te vergelijken.

En met altijd en overal bedoelen ze ook echt altijd en overal: eerder pasten ze het al toe op taal, functies, communicatienetwerken en topmanagers, en nu dus op spinrag en muziek. Want zowel spinrag als muziek zijn structuren opgebouwd uit kleinere bouwstenen: spinrag bestaat uit eiwitten die zijn opgebouwd uit peptiden (groepjes aminozuren). En muziek bestaat uit akkoorden, die zijn opgebouwd uit tonen (groepjes geluidsgolven).

De onderzoekers werken de vergelijking tot in detail uit. Zoals geluidsgolven verschillende frequenties kunnen hebben, zo bestaan er ook verschillende aminozuren, zeggen ze. En zoals de vorm van een reeks aminozuren de functie van een eiwit bepaalt, zo bepalen duur, volume en timbre de klank van een akkoord. Maar de wetenschappers kijken verder dan alleen de structurele opbouw van spinrag en muziek. Uiteindelijk komen ze tot de conclusie dat de sterkte van een gesponnen draad te vergelijken is met de harmonie van een akkoord.

De onderzoekers claimen niet dat ze nu een spectaculaire vondst hebben gedaan op het gebied van spinrag, noch op dat van muziek. Ze voeren slechts een betoog voor het gebruik van dit systeem. Of het realistisch is dat iedereen dit nu ook echt gaat gebruiken betwijfel ik, maar het spreekt zeker tot de verbeelding.

Zoals in het geval van enzymen, een specifiek type actieve eiwitten die bijvoorbeeld in waspoeder zitten om vlekken te verwijderen. Enzymen hebben een zogenaamde ‘active site’: het gedeelte waar het allemaal gebeurt, om het maar even kort samen te vatten. Daardoor zijn het volgens de onderzoekers eigenlijk net majeur akkoorden: beide hebben een ‘grondtoon’ die cruciaal is voor de structuur.

Charlotte Vlek kon al rekenen voor ze leerde lezen. Maar nog leuker dan abstracte wiskunde, vindt ze het om andere mensen erover te vertellen. En over allerlei andere leuke wetenschap. Daarom behaalde Charlotte naast haar mastergraad in de wiskundige logica een mastergraad in de communicatie van bètawetenschappen. Sinds kort werkt Charlotte bij De Praktijk en is ze bovendien de Nationale PR-medewerker Wiskunde voor het gloednieuwe Platform Wiskunde Nederland.

Zie ook:
Categories: Feedblock

Doorbraak in het zoeken door ‘onleesbare’ teksten

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Voor een computer is het vinden van woordjes of combinaties daarvan in grote hoeveelheden tekst heel eenvoudig. Maar om een computer een tekst te laten begrijpen en er een conclusie uit te laten destilleren, is een techniek die nog sterk in ontwikkeling is.

Dat vereist zogeheten Natural Language Processing (NLP), een zijtak van kunstmatige intelligentie. Zo was het heel bijzonder toen de Watson-supercomputer van IBM een klein jaar geleden in staat bleek quizvragen beter te begrijpen en te beantwoorden dan de mens.

Kladjes

Niet geheel toevallig werkte informaticus Ittoo aan vergelijkbare technieken als het Watson-project, want NLP vormde daarvoor de grondslag. Zijn algoritmes ontsluiten echter een enorme hoeveelheid extra informatie. Het was al mogelijk een computer goed leesbare teksten, zoals nieuwsberichten en wetenschappelijke artikelen, te laten begrijpen en er relevante informatie aan te onttrekken. Maar deze tekstanalyse kan nu ook worden toegepast op in telegramstijl geschreven informele kladjes, vol spel- en grammaticafouten, zoals klachtenformulieren van klanten of interne memo’s. Ittoo testte en ontwikkelde zijn zoekalgoritmes onder meer bij Philips Health Care en Bang&Olufsen. Beide bedrijven gebruiken inmiddels prototypes van zijn zoektechniek om hun bedrijfsinformatie, bijvoorbeeld over klanttevredenheid, te verfijnen.

Terrorismebestrijding

Hoewel de techniek is ontwikkeld bij bedrijven in consumentenelektronica, is deze veel breder toepasbaar, onder meer in medische dossiers, in financiële documenten, in terrorismebestrijding en in zoekmachines.

Ittoo stelt vast dat zoeken via Google vaak zeer veel resultaten oplevert, waardoor de behoefte bestaat die trefzeker te kunnen filteren. Hij verwacht dat zijn algoritmes daarbij behulpzaam zijn.

De verfijning van de bestaande NLP-technieken is niet alleen een wetenschappelijke stap voorwaarts, maar ook een commercieel interessante vinding. Alleen al in de Verenigde Staten wordt de markt voor dit soort tekstanalyse geschat op $ 835 mln. En het aantal gebruikers van de benodigde software steeg in 2010 met 25%. Daarom streeft Ittoo naar spoedige commerciële toepassing van zijn algoritmes. Die zijn nu specifiek voor de Engelse taal ontwikkeld, maar ze zijn toepasbaar voor elke taal, als daar maar een goed model voor bestaat.

Categories: Feedblock

Eenbrijvanwoorden

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Als je naar spraak in je eigen taal luistert, meen je losse woorden te horen. Toch is dit een illusie. Terwijl de grenzen tussen woorden in geschreven taal duidelijk zijn door de spaties, is dit niet het geval in gesproken taal. Het is namelijk niet zo dat we tussen elk woord een korte pauze laten horen: over het algemeen stoten we gewoon een brij van woorden uit als we praten.

Het voorgaande komt er in gesproken taal dan bijvoorbeeld zo uit: overhetalgemeenstotenwegewooneenbrijvanwoordenuitalswepraten. Toch zijn onze hersenen in staat om razendsnel grenzen aan te brengen in die woordenstroom, zodat het lijkt alsof we losse woorden horen. Hoe doen we dat precies? Dat onderzocht Tom Lentz in zijn proefschrift, dat hij op 22 december verdedigt aan de Universiteit Utrecht.

Nonsens-woorden

Bij het begrijpen van taal maken we niet alleen gebruik van onze woordenschat, maar ook van de klankregels van de taal. Dat blijkt uit een experiment met nonsens-woorden dat Lentz uitvoerde: zelfs bij het horen van een opeenvolging van nonsens-woorden bleken mensen in staat afzonderlijke woordjes te herkennen. Lentz liet zijn proefpersonen bijvoorbeeld de niet bestaande woordcombinaties fiemrok en fiedrok horen. Vervolgens moesten ze aangeven met welke letter het tweede woord begon. In het eerste geluid werd het woord rok veel beter herkend dan in het tweede geluid, omdat drok ook een mogelijk woord is in onze taal.

Een van de klankregels van het Nederlands is dat een lettergreep kan beginnen met dr (druk, dralen, droom), maar niet met mr. Drok is een mogelijk woord; mrok niet. Dat de proefpersonen het woord rok meestal niet herkenden in de opeenvolging fliedrok werd ook veroorzaakt door een andere klankregel: woorden in onze taal kunnen niet eindigen op de (stemhebbende) klank d, die wordt altijd uitgesproken als een (stemloze) t. Daarom is de opdeling in flie-drok in dit geval veel logischer. Overigens hebben we minder moeite om veel voorkomende klankcombinaties te herkennen, dan klankcombinaties die weinig voorkomen. De opeenvolging sp (spin, spuiten, sparen) komt bijvoorbeeld vaker voor dan sl (slang, slinger), waardoor we woorden die beginnen met sp ook eerder zullen herkennen.

Verschillende talen

Het zijn met name de verboden klankcombinaties die ons helpen woordgrenzen te vinden. Omdat we weten dat de opeenvolging pv in een Nederlandse lettergreep niet is toegestaan, vinden we heel makkelijk de grens in de zin de lamp viel. Maar hoe zit dat in een andere dan onze moedertaal? Gebruiken we daar de klankregels van de andere taal, of zitten de klankregels van onze moedertaal in de weg?

Om dit te onderzoeken liet Lentz klankcombinaties horen aan Spaanstalige leerders van het Nederlands. Daaruit bleek dat mensen meestal in staat zijn om de klankregels van twee talen die ze goed kennen uit elkaar te houden. De buitenlandse sprekers die beter waren in het Nederlands, scoorden net als de Nederlanders beter op de meest frequente combinaties: ook voor hen was sp makkelijker te herkennen dan sl.

Kan het wat langzamer?

Toch zit de moedertaal soms ook in de weg. In het Spaans bestaan bijvoorbeeld geen medeklinkercombinaties met s aan het begin van een woord. Een woord als stad kennen Spaanstaligen dus niet. Uit de luisterexperimenten bleek dan ook dat ze geen verschil hoorden tussen de geluiden stad en estad. Bij het horen van stad voegen Spaanstalige luisteraars zelf een klinker toe, zodat ze het cluster kunnen splitsen in es-tad. Deze uitkomst laat zien dat het moeilijker is om woorden te isoleren in een spraaksignaal dat afkomstig is uit een andere taal dan je moedertaal. Dat is dus de reden dat we meestal nog steeds moeite hebben met het volgen van gesprekken in het Frans of Duits, ook al hebben we die talen op school geleerd…

Zie ook:
Categories: Feedblock

Grote Europese subsidie voor onderzoek naar Indianentalen

Sat, 04/02/2012 - 05:07
IJskap

De vroegste bevolkingsgeschiedenis van de beide subcontinenten van Amerika is nog grotendeels een raadsel. Het scenario dat Amerika pas bevolkt is geraakt toen 12.000 jaar geleden mensen vanuit Alaska een passage in een Canadese ijskap doortrokken en vervolgens over land koers zetten naar het zuiden, is inmiddels achterhaald door nieuwe wetenschappelijke inzichten.

Gereedschappen

De hypothese is nu: Amerika is niet uitsluitend via de ijskap over land, maar ook langs de westkust via de zee bevolkt. En waarschijnlijk gebeurde dit ook eerder dan 12.000 jaar geleden. Op eilanden langs de Californische kust, en in Oregon en Texas, zijn gereedschappen gevonden die wijzen op eerdere menselijke bewoning. De oudst bekende nederzetting in het zuiden van Chili dateert al van 12.000 jaar geleden.

Puzzel

Onderzoek naar de verwantschap en de contacten tussen talen kan licht werpen op de chronologie en de routes van de verspreiding van de bevolking van Noord-, via Midden- naar Zuid-Amerika. Dat is een hele puzzel, want de diversiteit aan taalfamilies, taalgroepen en geïsoleerde talen is op de beide subcontinenten enorm.

Bewijsmateriaal

Vooral de talen van de Andes (Peru, Bolivia, Ecuador) vormen een uitdaging voor taalkundigen. Die vertonen onderling nauwelijks genetische verwantschap. Maar die genetische relaties zijn er misschien wel met talen in noordelijker gebieden, zoals Mexico. Als dat zo is, zou dat belangrijk bewijsmateriaal zijn in het onderzoek naar de verspreidingsgeschiedenis van de bevolking.

Familieverbanden

Prof.dr. Willem Adelaar gaat nu met zijn nieuwe onderzoeksgroep paren van talen of taalfamilies vergelijken die nooit eerder systematisch met elkaar in verband zijn gebracht: steeds een taal of taalfamilie uit Midden-Amerika (Mexico en het Caraibisch gebied) en een uit het gebied van de Andes (Ecuador, Peru en Bolivia). Zo proberen ze genetische verwantschap aan te tonen tussen de talen uit deze verafgelegen gebieden.

Handelsrelaties

Ook gaan ze op zoek naar overeenkomsten die zijn ontstaan door intensief taalcontact. Historisch en archeologisch onderzoek wijst op handelsrelaties en technologische uitwisseling tussen Midden-Amerika en de kust van Zuid-Amerika (zoals de verspreiding van metallurgische technieken). De onderzoekers gaan kijken of dergelijke contacten ook in de lokale talen zijn terug te vinden.

Prof.dr. Willem Adelaar, Leids hoogleraar Talen en Culturen van Indiaans Amerika

Beperkt

Eigenlijk is het vreemd dat taalkundigen zich nog zo weinig met dit migratievraagstuk hebben bemoeid, vindt Adelaar. Dat komt volgens hem waarschijnlijk doordat historisch taalkundigen zich vaak hebben beperkt tot één gebied. Adelaar is de persoon bij uitstek om dit onderzoek te leiden omdat hij zowel de talen van de Andes en de Amazone als de talen van Midden-Amerika goed kent. Het project zal samen met Søren Wichmann van het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig worden uitgevoerd. Wichmann is gespecialiseerd in de Midden-Amerikaanse talen en daarnaast vertrouwd met kwantitatieve methoden van historisch taalonderzoek.

Adelaar krijgt een Advanced Investigator Grant van de European Research Council (ERC). Die gaat naar wetenschappers die hun sporen met excellent onderzoek hebben verdiend. In november ontving ook Leids archeoloog Maarten Jansen deze prestigieuze subsidie voor zijn onderzoek naar de kalenders van Azteken, Mixteken, Maya’s en andere inheemse volkeren in Midden-Amerika. Afgezien van deze onderzoekers van Indiaanse culturen kregen tot nu toe alleen – negen – Leidse bèta’s hem. Language Diversity in the World is een van de profielgebieden van de Universiteit Leiden.

Zie ook:
Categories: Feedblock

Switchen van taal is nothing to worry about

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Code-switching gaat niet over het gebruik van ingeburgerde Engelse woorden zoals computer of e-mail, maar over het larderen van alledaags Nederlands met buitenlandse, vaak Engelse, woorden en zinsneden. Bijvoorbeeld: Zit me niet te hasslen, ik zei toch dat ik het zou doen of: O wat een beauty, die moet ik hebben!

‘Natuurlijk’ taalgebruik

Gerrit Jan Kootstra onderzocht welke factoren code-switching beïnvloeden en keek daarbij met name naar omgevingsfactoren (is je gesprekspartner tweetalig en/of ‘codeswitcht’ die veel) en taalkundige factoren (bijvoorbeeld: treedt code switching vaker op bij woorden die in het Nederlands en Engels ongeveer hetzelfde zijn).

Nieuw aan zijn onderzoek is dat hij de combinatie van deze factoren experimenteel bestudeerde én dat hij hierbij keek naar natuurlijk taalgebruik in een gesprekscontext. Dat wil zeggen: hij liet proefpersonen samen met acteurs plaatjes beschrijven. De acteurs hadden weliswaar een script met bepaalde ‘switch-instructies’, maar de proefpersonen reageerden daar wel op hun eigen, onvoorbereide manier op.
Helemaal natuurlijk is dat nog steeds niet, maar deze methode is wel een flinke verbetering ten opzichte van eerder onderzoek, meent Kootstra: “Voorheen werden bijvoorbeeld plaatjes aangeboden met een Engels of Nederlands vlaggetje erbij, en dan werd gemeten hoe lang het duurde om het Engelse of Nederlandse woord te noemen.”

Tomaat/tomato

Kootstra bestudeerde drie taalkundige factoren die van invloed kunnen zijn op code switching: de aanwezigheid van zogenaamde cognaten, de aanwezigheid van valse vrienden en de woordvolgorde in de zin. Cognaten zijn woorden die in twee talen veel op elkaar lijken, zowel in vorm als betekenis. Denk voor het Engels en Nederlands aan woorden als film, baby, maar ook aan tomaat/tomato. Valse vrienden zijn woorden die dezelfde vorm of klank hebben, maar een andere betekenis, zoals pet, rok/rock.

Het bleek dat cognaten en valse vrienden de neiging tot codeswitchen vergroten, tenminste als de gesprekspartner ook codeswitcht. Proefpersonen bleken bovendien sterker geneigd om hun manier van switchen over te nemen van de zin die ze zojuist gehoord hadden wanneer er een cognaat in de zin voorkwam.

Gekke zinnen

Woordvolgorde blijkt ook van invloed op code-switching. Dat wil zeggen: is de woordvolgorde van een zin in beide talen gelijk, dan is codeswitchen geen probleem. Verschilt de woordvolgorde, dan wordt het wat ingewikkelder. "Als je in het Nederlands zegt: Een grappig plaatje waarop…., dan vervolg je de zin bijvoorbeeld zo: Jan de bal schopt. De volgorde is subject-object-verb, SOV. Zeg je in het Engels: A funny picture on which…, dan moet het vervolg zo: John kicks the ball: subject-verb-object, SVO.’ Hoewel proefpersonen inderdaad het makkelijkst codeswitchten bij gelijke woordvolgordes, bleken ze ook bij zo’n conflicterende woordvolgorde nog steeds de neiging te hebben om de woordvolgorde van hun gesprekspartner aan te houden, ook als dat tot gekke zinnen leidt.

Automatisch spiegelgedrag

Samenvattend is de belangrijkste conclusie van Kootstra’s onderzoek: “Mensen hebben de neiging om hun taalgebruik aan te passen aan dat van degene met wie ze praten. En dat gaat verder dan je zelf door hebt. Je woordkeus, maar zelfs je woordvolgorde breng je in lijn met de taal van je gesprekspartner. Anders gezegd: de neiging om elkaar na te doen, is vreselijk sterk. Psychologen en neurowetenschappers hebben eerder aangetoond dat spiegelgedrag een automatisch, onbewust proces is. Mijn onderzoeksresultaten bevestigen dat beeld.”

Don’t worry

Dat is slecht nieuws voor taalpuristen, die gruwen van de ‘verengelsing’ van het Nederlands. “Als de taalomgeving steeds meer Engels en Nederlands naast en door elkaar heen bevat, is het onvermijdelijk dat mensen dat over gaan nemen. Mensen die daar enorm op foeteren, zou ik willen zeggen: don’t worry. Natuurlijk, wie strikte ideeën heeft over zuiver taalgebruik, kan zijn of haar eigen taal zo ‘puur’ mogelijk proberen te houden. Dat zal al moeilijk genoeg zijn. Maar verder – taal ontwikkelt zich, past zich aan aan de omgeving. Het heeft geen enkele zin om je daartegen te verzetten.”

Categories: Feedblock

Liplezen helpt bij afasie

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Als we iemand horen praten, kunnen onze hersenen meestal pijlsnel de betekenis herleiden. Voor mensen met afasie, een taalstoornis als gevolg van hersenletsel, ligt dat anders. Voor hen is het soms moeilijk om klanken van elkaar te onderscheiden. Hoe subtieler het klankverschil, hoe moeilijker afatici een verschil horen.

Trillende stembanden

Klanken kunnen op drie manieren van elkaar verschillen. Ten eerste in de manier waarop ze worden gemaakt. Daarin speelt de luchtstroom een belangrijke rol. Een klank wordt namelijk gemaakt door trilling aan te brengen in de lucht. Bij de t bijvoorbeeld, wordt de luchtstroom korte tijd tegengehouden. Taalkundigen noemen het daarom een plofklank of een plosief. Bij de s ontsnapt de lucht met wrijving, en deze klank wordt om die reden wrijfklank of fricatief genoemd. Ten tweede kan de plaats in de mond verschillen. De p bijvoorbeeld wordt met beide lippen gemaakt, de t achter de tanden.

Afbeelding: © bowenmurphy

De derde manier waarop klanken kunnen verschillen is in het wel of niet trillen van de stembanden. Klanken waarbij de stembanden trillen noemt men stemhebbend. Of de stembanden trillen kun je voelen wanneer je je vinger tegen je adamsappel legt. Bij de p (p-p-p) voel je niks, dat is een stemloze klank. Bij de b (b-b-b) daarentegen, voel je een lichte trilling: dat is dus een stemhebbende klank.

Liplezen

In het onderzoek van Hessler kregen afasiepatiënten niet-bestaande woorden te horen, die soms op één manier verschilden, en soms op alle mogelijke manieren. Met die laatste woorden hadden de proefpersonen de minste moeite. Meer moeite hadden ze met klanken die op slechts één manier van elkaar verschilden, en dan met name wanneer deze verschilden in stemloosheid. Het verschil tussen de testwoorden beum en peum was moeilijker te horen dan tussen zaaf en paaf.

Afbeelding: © Jackie Popp

Wanneer de proefpersonen ook de bijbehorende lipbewegingen te zien kregen, scoorden ze in alle gevallen beter. Deze uitkomst was verrassend, aldus de promovenda: “We hadden niet verwacht dat liplezen ook een gunstige invloed zou hebben op het herkennen van stemloosheid. Maar blijkbaar hebben trillende stembanden ook een visuele component. We moeten nog onderzoeken hoe trillende stembanden precies worden waargenomen.”

Hersenactiviteit

Ook de controlegroep, mensen zonder een taalstoornis, hadden baat bij het liplezen. Bij deze groep werd ook de hersenactiviteit gemeten met behulp van een EEG-scan. De ene keer kregen ze alleen klanken te horen (auditieve input), de andere keer zagen ze alleen de lipbewegingen (visuele input) en een derde keer kregen ze zowel auditieve als visuele input. Hessler: “Het interessante is dat de hersenactiviteit in het laatste geval veel sterker was. Blijkbaar kunnen we ook veel afleiden uit wat we zien. Maar nog belangrijker is de combinatie van wat we zien en horen. Het is dus meer dan een simpele optelsom van de auditieve en visuele input samen.”

Zie ook:
Categories: Feedblock

“Er wordt meer geschreven dan ooit tevoren”

Sat, 04/02/2012 - 05:07

De zaal van het Chassé Theater in Breda zit vandaag met ruim 1400 bezoekers stampvol. Het programma is een afwisseling van taalwetenschappelijke lezingen en cabaret. Jan Kuitenbrouwer praat de dag aan elkaar. Hij introduceert Hans Bennis als een van de taalkundigen die beweren dat het lidwoord het binnenkort is verdwenen.

Bennis: “Dat is te kort door de bocht. Met ons onderzoek hebben we alleen aangetoond dat het kenmerk ‘geslacht’ langzaam op z’n retour is. Het taalsysteem wordt eenvoudiger. Dat zie je ook aan werkwoordsvormen: jij kan vervangt jij kunt, in navolging van ik kan en hij kan. Het Nederlands gaat daarmee het Afrikaans en het Engels achterna: talen die door taalcontact vereenvoudigd zijn. Maar het regent blijft, en het lidwoord het verdwijnt voorlopig ook nog niet.”

De bijbel in sms-taal: Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde van alles, zegt de Heer, de Almachtige God, Die is was en komt.

Creativiteit

Overigens is Bennis niet voor of tegen het verdwijnen van het (zoals in de meisje). Voor taalwetenschappers zijn taalnormen niet interessant. Wél interessant is de vraag hoe het taalsysteem in elkaar zit. Bennis zelf is gespecialiseerd in de zinsbouw of de grammatica van het Nederlands. Vandaag laat hij zien dat elke nieuwe taalvorm onderworpen is aan grammaticale regels. Dus ook de taal die we gebruiken tijdens het sms’en, pingen of twitteren. In een sms’je kun je maximaal 160 tekens kwijt; in een tweet slechts 140. Dat vergt veel creativiteit van de taalgebruiker: noodzakelijkerwijs korten we de taal in. Eenzelfde verschijnsel zien we in het gesproken taalgebruik, waarin mensen steeds sneller gaan praten. Bennis duidt deze nieuwe vorm van het Nederlands graag aan met de term Korterlands.

Aantr.m.zkt.bl.vr

Bennis wijst erop dat het verkorten van taal, zoals nu veel gebeurt in de nieuwe media, helemaal niet nieuw is. Het is al zo oud als het bestaan van telegrammen (in Stuttgard aangekomen-vlucht ok-regent-hotel niet geweldig-bel morgen-liefs); krantenkoppen (Verbod Fitna onwaarschijnlijk); dagboeken (gespijbeld. ben naar de film geweest. was spannend) en contactadvertenties (aantr.m.zkt.bl.vr.). Vooral die contactadvertenties zijn een goed voorbeeld van ingekorte taal. En hoewel het lijkt alsof de schrijver van het bericht willekeurig wat letters uit zijn hoge hoed heeft getoverd, volgt ook hij een ‘grammatica’. Dit althans blijkt uit onderzoek dat Bennis – tevens hoogleraar aan de UvA – uitvoerde onder zijn studenten.

Emoticons

Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de meeste afkortingen het zogenaamde ‘onset’-principe volgen. De onset is het begin van een lettergreep, dat bestaat uit een of meer medeklinkers. Het middengedeelte, meestal een of meer klinkers, noemen taalwetenchappers de kern en wat volgt is de coda. Afkortingen die het onset-principe volgen, bestaan uit alle letters van de onset. Als de onset leeg is (bij woorden die beginnen met een klinker, zoals aantrekkelijk), schrijf je alle letters tot en met de onset van de volgende lettergreep (aantr.). Hetzelfde geldt voor sms-taal, maar daarin gelden ook nog andere principes. Hoe creatief de huidige generatie taalgebruikers is, laat Bennis zien aan de hand van een aantal voorbeelden. Voorbeelden van cijferuitspraak (w817), letteruitspraak (cu), symbolen in plaats van letters (nx 2 4&) en emoticons (<<+:-)>>).

w817 = wacht eens even
cu = see you
nx 2 4& = niks te vieren
<<+:-)>> = Sinterklaas
aantr.m.zkt.bl.vr. = aantrekkelijke man zoekt blonde vrouw

De onlinevariant van Scrabble is razend populair.

Wordfeud

Tot slot: wat kan het onderwijs hier van leren? Bennis: “Leraren moeten inspelen op alles wat er gebeurt. Laat de kinderen in de klas Wordfeud spelen, laat ze teksten in 160 tekens omzetten. En ga vervolgens in gesprek hoe dat werkt, welke principes eraan ten grondslag liggen. Regeltjes leren is niet de manier waarop het onderwijs om zou moeten gaan met taal. Wel kun je de leerlingen respect aanleren voor taal door aan te sluiten bij hun belevingswereld. Wat dat betreft is er alleen maar reden tot optimisme. Er wordt meer geschreven dan ooit tevoren, dus laten we ons niet druk maken om d’s en t’s. Want daar wordt de taal zeker niet mooier van.”

Categories: Feedblock

Bruikbare hersenspinsels in spraakperceptie

Sat, 04/02/2012 - 05:07

“Voorheen was het onduidelijk of sprekersvariatie in de hogere of juist lagere regionen van onze hersens wordt opgelost”, legt Sjerps uit, “Mijn onderzoek laat zien dat het grotendeels wordt opgelost door relatief vroege, algemene waarnemingsprocessen. Dergelijke processen zijn niet uniek voor het herkennen van spraak.” Als iemand begint te praten, wordt er in onze hersens al snel een sprekersprofiel aangemaakt, die voorspellingen doet over de rest van zijn of haar spraak.

Pit of pet

Dat spraaksignalen onmiddellijk verwachtingen creëren in ons hoofd, blijkt uit de tests die Sjerps deed op het Max Planck-instituut te Nijmegen. Zijn proefpersonen kregen afwisselend de woorden pit en pet te horen, maar ook woorden waarbij het niet duidelijk was of het juist pit of pet was, omdat de klank er een beetje tussenin lag. Zulke ambigue klanken komen overigens vrij vaak voor in spraak, zeker wanneer mensen niet heel nadrukkelijk articuleren. Met een druk op de knop moesten de proefpersonen vervolgens aangeven welk woord ze dachten te horen.

Dat de proefpersonen regelmatig de mist ingingen, dus pit voor pet aanhoorden en vice versa, kwam door de verwachtingen die hun brein creëerde op basis van de context. “Voorafgaand aan de testwoorden kregen ze zinnen te horen, uitgesproken door verschillende personen. Vooral bij woorden waarbij de klank tussen pit en pet in lag gaf de context de doorslag, niet de uitspraak van de woorden zelf”, aldus de onderzoeker. Metingen aan hersensignalen lieten zien dat deze aanpassingen al binnen een tiende van een seconde in het brein hadden plaatsgevonden.

Spraakkanaal

De akoestische eigenschappen van spraak worden voor een belangrijk deel bepaald door de lengte van ons spraakkanaal. “Met het spraakkanaal bedoelen we alle holtes boven onze stembanden. Het spraakkanaal van mensen kan kort of lang zijn. Een lang spraakkanaal versterkt lage klanken, een kort spraakkanaal versterkt hoge klanken. Dit zorgt er dus voor dat de spraak van verschillende mensen ook anders klinkt. Je kunt het vergelijken met wanneer je door een pvc-buis blaast: bij een lange buis hoor je een lager geluid dan bij een korte buis. Gemiddeld hebben vrouwen bijvoorbeeld een korter spraakkanaal dan mannen. De variatie die een gevolg is van deze verschillen moet door de hersenen worden opgelost om spraak te kunnen verstaan.”

Auditieve illusie

Sjerps wijst erop dat het gaat om volledig onbewuste denkprocessen. “Je kan het vergelijken met visuele illusies. Je hebt bijvoorbeeld die plaatjes waarbij een grijstint lichter lijkt tegen een zwarte achtergrond en donkerder tegen een witte achtergrond, terwijl het in feite om dezelfde grijstint gaat.” Net als in visuele waarneming, worden we ook in ons gehoor makkelijk misleid door de context. Maar meestal levert dit juist voordelen op. Het zorgt er namelijk voor dat we iemand die niet overdreven articuleert toch prima kunnen verstaan omdat het brein zich razendsnel aanpast aan de karakteristieken van de spreker. Een beter begrip over hoe het menselijke brein spraak herkent, brengt wellicht ook de automatische spraakherkenning weer een stapje vooruit, want die heeft voorlopig het nakijken.

Matthias J. Sjerps (Amsterdam, 1982 ) studeerde linguïstiek aan de Universiteit Utrecht en Cognitive Neuroscience aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In 2007 begon hij zijn promotieonderzoek aan het Max Planck Instituut. Op 28 november 2011 promoveert hij aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.

Categories: Feedblock

De functie van gebaren

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Mol verrichtte een aantal onderzoeken op basis van experimenten. Dat mensen bij communicatie via webcams minder gebaren, komt onder andere doordat ze elkaar niet in de ogen kunnen kijken en de kijkrichting van de ander niet goed kunnen interpreteren. Wanneer in plaats van een gewone webcam een apparaat gebruikt wordt dat oogcontact simuleert, gebaren we namelijk wel net zoveel als wanneer we bij elkaar zijn.

Afbeelding: © Rennett Stowe

Hergebruik van gebaren

Mensen doen elkaars gebaren na in een gesprek. Als we iemand een gebaar zien maken terwijl hij of zij iets vertelt, dan maken we dat gebaar soms even later zelf als we iets vergelijkbaars zeggen. Dit doen we echter alleen als het gebaar paste bij de boodschap die tegelijkertijd in spraak geuit werd. Dit laat zien dat gebaren, net als spraak, betekenis dragen. Het nadoen van gebaren lijkt in die zin niet zozeer op het overnemen van elkaars lichaamshouding of andere non-verbale gedragingen, maar meer op het hergebruiken van elkaars woorden en zinsconstructies, wat gesprekspartners ook doen.

Gebaren en afasie

Afasie is een taalstoornis als gevolg van hersenletsel. Mensen met afasie blijken volgens Mols studie minder duidelijke gebaren te maken voor anderen dan sprekers zonder afasie. Ze gebruiken ook minder manieren om dingen uit te beelden. Het lijkt er dus op dat afasie vaak zowel leidt tot een beperking in spraak als in het produceren van gebaren.

Lisette Mol (1981, Hoorn) studeerde Kunstmatige Intelligentie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij is werkzaam als universitair docente bij Communicatie- en Informatiewetenschappen aan Tilburg University en als onderzoekster verbonden aan het Tilburg center for Cognition and Communciation (TiCC). Lisette Mol is op 7 november 2011 gepromoveerd aan Tilburg University.

Zie ook op Kennislink:
Categories: Feedblock

Van spijkerschrift tot Unicode

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Wie tijdens het publiekssymposium ‘Schrift op Drift’ een blik om zich heen werpt, ziet toehoorders van alle leeftijden. Eerstejaars studenten, maar ook veel senioren onder wie waarschijnlijk een groot aantal A la carte-studenten’. Het diverse aanbod van lezingen en workshops is een goede afspiegeling van het groot aantal talenstudies dat Leiden rijk is.

Het spijkerschrift is hoofdzakelijk een syllabisch schrift: elk teken staat voor één of meerdere lettergrepen. Maar behalve voor een lettergreep (ba, pa, bal) kan een spijker ook staan voor een heel woord. Dat maakt het lezen ervan soms moeilijk. Afbeelding: © Wikimedia commons

Oudste schrift

Zo zijn er Leidse onderzoekers die zich bezighouden met de ontcijfering van een van de oudste schriftsoorten, het spijkerschrift. Vandaag geven Willemijn Waal en Alwin Kloekhorst van de opleiding Vergelijkende Taalwetenschap een workshop waarin deelnemers zelf aan de slag mogen met kleitabletten. Het is één van de populairste workshops en zit met vijftien deelnemers vol.

Tijdens de introductie leren we dat het spijkerschrift rond 3200 voor Christus is ontstaan in Mesopotamië, het huidige Irak. Van daaruit verspreidde het zich over grote delen van het nabije oosten. Het waren de Sumeriërs in Uruk, het land van Sumer, die de eerste vorm van het spijkerschrift uitvonden. De Akkadiërs namen het over van de Sumeriërs en voegden er hun eigen tekens aan toe; vervolgens namen de Hettieten het over van de Akkadiërs en gaven er nog weer een eigen draai aan.

Kleitabletten

Doordat in het spijkerschrift verschillende schriften door elkaar zijn gaan lopen, kan één teken vaak op verschillende manieren gelezen worden. De eerste tekens stonden bijvoorbeeld voor een object, terwijl latere tekens vooral klanken representeerden. Onderzoekers hebben er dan ook een hele kluif aan om een spijkerschrifttekst te vertalen.

Dat er toch zoveel bekend is over het spijkerschrift, komt doordat er tienduizenden teksten overgeleverd zijn. En dat heeft alles te maken met de onvergankelijkheid van het materiaal. Kleitabletten kunnen namelijk zowel gebakken als ongebakken eeuwenlang meegaan. Ze zijn overgeleverd in allerlei soorten en maten: van schoolteksten, brieven en gebeden tot mythes en staatsverdragen. We krijgen verschillende voorbeelden te zien.

Nog leuker wordt de workshop als we zelf aan de slag mogen met een stylus: een rietstengel (hier een bewerkt Chinees stokje) waarmee in vroeger tijden de spijkervormige inkepingen in de klei werden gemaakt. Het valt nog niet mee om de eigen naam in spijkerschrift om te zetten en in de klei te boetseren.

19e-eeuws Engels

’s Middags heb ik gekozen voor nog een volgeboekte workshop over de brieven van Jane Austen. Ook dit mag met recht een workshop heten, want behalve het lezen van een 19e-eeuwse brief mogen we hier ook zelf een brief schrijven met inkt en kroontjespen. De cursusleiders Robin Straaijer en Ingrid Tieken van de opleiding Engels vertellen ons dat 2011 een jubileumjaar is: de debuutroman van Jane Austen, Sense & Sensibility, werd precies 200 jaar geleden gepubliceerd.

Net als het spijkerschrift kent de taal van Jane Austen voor onderzoekers steeds minder geheimen. Er zijn zo’n 150 brieven overgeleverd. Dat komt volgens de docenten doordat Jane Austen ontzettend veel van brieven schrijven hield. Ze schreef vooral aan haar zus Cassandra. En omdat ze zoveel te vertellen had (“Jane was een enorme kletskous”), en het briefpapier in die tijd duur was, schreef Jane Austen haar brieven propvol: elke vierkante centimeter werd benut, zo zien we in een voorbeeldbrief waarin zelfs de randen van het papier zijn volgeschreven.

In een andere brief heeft de schrijfster zowel horizontaal als verticaal zinnen door elkaar geschreven. Dat haar brieven ondanks de informatiedichtheid toch goed te lezen zijn, blijkt als we een van de brieven gezamenlijk gaan ontcijferen.

Wat onwennig is het als we zelf een 19e-eeuwse brief gaan schrijven. Om een woord te schrijven moet je soms wel een paar keer met je pen in de inkt dopen. Tot slot wordt de brief zo gevouwen dat er nog een adres op kan (men gebruikte geen enveloppen) en kan worden verzegeld met een echt lakzegel. Een rode staaf die we even in een kaars dopen en dan op de brief stempelen. Aandrukken met een zegelring en klaar.

Einde van het schrift?

Hoe veelzijdig deze dag is blijkt uit de lezing van taalkundige en typograaf Thomas Milo. Hij spreekt niet alleen een uitgebreid palet aan talen, maar weet ook alles van Unicode: de computercodes die het mogelijk maken dat wij alle soorten schrift op de computer kunnen gebruiken. Om de computer de tekens van het Romeinse alfabet te laten herkennen, werd destijds de ASCII-code ontwikkeld. Dat is een systeem waarin alle letters worden uitgedrukt in een code met nullen en enen. De Unicode is om het ASCII-systeem heengebouwd, om ook tekens van talen als het Chinees en Arabisch weer te kunnen geven.

De Chinese kalligrafie staat sinds 2009 vermeld op de Lijst van Meesterwerken van het Orale en Immateriële Erfgoed van de Mensheid van UNESCO. Afbeelding: © Manny Hernandez

Inmiddels is het systeem zodanig uitgebreid, dat er nog een heleboel ruimte over is. Dat is handig voor taalwetenschappers die exotische talen beschrijven: als zij een letter tegenkomen die nog niet bestaat op de computer, kunnen ze een verzoek indienen om deze op te nemen in Unicode. Zo kan uiteindelijk alle schrift omgezet worden in drukletters.

Een gevaar hiervan is wel dat het schrift straks misschien helemaal overbodig wordt. In Shanghai bijvoorbeeld, zijn steeds minder leerlingen die karakters kunnen schrijven, omdat ze bijna allemaal de computer gebruiken. Dat weetje heb ik vandaag opgepikt tijdens de lezing over het Chinese schrift van Jeroen Wiedenhof. De autoriteiten in Shanghai hebben Chinese kalligrafie daarom nu weer verplicht gesteld op school, opdat deze eeuwenoude vaardigheid niet verloren gaat.

Zie ook:
Categories: Feedblock

Evoluerende fluittalen

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Proefpersoon tijdens experiment in de studio. Afbeelding: © Tessa Verhoef

Culturele evolutie verwijst naar de evolutie van de taal zelf. Talen worden cultureel doorgegeven van de ene generatie op de andere en dit proces vormt de taal zich. In het wetenschappelijke veld van de taalevolutie is het sinds kort populair om culturele evolutie te onderzoeken in het laboratorium. Het ontstaan van structuur in spraakgeluiden wordt op deze manier aan de Universiteit van Amsterdam nagebootst in een experiment. De gefloten speelgoedtalen die in dit experiment ontstaan hebben veel gemeen met echte gesproken talen.

Doorfluistertje

Kun je je nog herinneren dat je vroeger op school het spel ‘doorfluistertje’ speelde? Eén van je klasgenoten bedacht een bericht en fluisterde dat in het oor van de persoon naast zich. Die persoon fluisterde het vervolgens weer door aan degene ernaast en zo verder totdat het bericht de hele kring rond was geweest. De laatste persoon zei vervolgens hardop wat er werd doorgefluisterd. Meestal was dit heel wat anders dan het oorspronkelijke bericht, met vaak hilarische vervormingen.

Dit spel is eigenlijk een minuscule illustratie van de manier waarop taal wordt doorgegeven. Zoals je bij doorfluisteren vaak iets anders denkt te horen dan er is gezegd, verloopt de overdracht van taal ook niet vlekkeloos. Kinderen krijgen in hun jeugd een beperkte hoeveelheid taalvormen te horen. Op basis daarvan maken ze hun eigen taalregels en passen die toe op hun eigen taalgebruik. Van de ene generatie op de andere zullen de veranderingen die er op die manier insluipen niet heel groot zijn. Wel kan het resultaat na meerdere herhalingen aanzienlijk anders zijn, net zoals bij doorfluistertje.

Het brein vormt de taal

Tot voor kort dachten de meeste taalwetenschappers dat mensen geboren worden met speciale hersengebieden die zorgen voor de verwerking van taal. Hoe kunnen we anders verklaren dat kinderen in staat zijn taal te leren terwijl ze maar een beperkt taalaanbod krijgen? Recente onderzoeken onder leiding van professor Simon Kirby aan de Universiteit van Edinburgh wijzen op een andere mogelijkheid. Niet het brein heeft zich aangepast aan taal, maar de taal heeft zich aangepast aan het brein.

Taalevolutie is een geleidelijke ontwikkeling en aanpassing. Er is in wezen voortdurend een selectieprocedure aan de gang. Daarbij worden alleen de taalconstructies die makkelijk te leren zijn doorgegeven aan de volgende generatie taalleerders. Wat niet kan worden geleerd zal immers ook niet worden geproduceerd. Net zoals de onverstaanbare delen van het fluisterbericht niet op de juiste manier worden doorgefluisterd. Volgens Kirby kan dit proces ervoor zorgen dat talen steeds leerbaarder worden en zich zo steeds beter ‘aanpassen’ aan ons brein.

Culturele evolutie

Niet alleen levert culturele evolutie talen op die leerbaar zijn. Talen krijgen ook steeds meer structuur wanneer ze over meerdere generaties worden geleerd en doorgegeven. Wanneer een taal structuur heeft, dan kan de gebruiker van deze taal generalisaties doen.

Generalisatie voorbeeld. Afbeelding: © Tessa Verhoef

Stel je een speelgoedtaal voor, waarin het woord voor een geel vierkant ‘lu-ga’ is. Het woord voor een rood vierkant is ‘mi-ga’ en dat voor een gele cirkel ‘lu-bo’. Wat is dan het woord voor een rode cirkel? Als je generalisatie zou gebruiken dan zou je zeggen: ‘mi-bo’. Uit de voorbeelden kun je namelijk afleiden dat ‘ga’ iets zegt over de vierkante vorm, ‘lu’ iets zegt over de gele kleur, ‘bo’ verwijst naar de ronde vorm en ‘mi’ naar de rode kleur.

De psychologie beschrijft overgeneralisatie als een veel voorkomend denkpatroon bij mensen. Het blijkt dus dat mensen erg graag generaliseren en dat ze soms zelfs voorbeelden negeren als deze niet passen binnen de ontdekte regel.

De structuur in taal kan er voor zorgen dat we woorden of uitingen al kunnen raden zonder dat we ze ooit eerder hebben geleerd. Het maakt de taal voorspelbaar. En dus leerbaarder. Een taalleerder hoeft niet alle voorbeelden te leren om toch een goede spreker te zijn. Dit komt doordat de structuur van de taal door culturele evolutie steeds beter aansluit bij de verwachting van de leerder. Dit principe hebben ze aan de Universiteit van Edinburgh al succesvol gesimuleerd met computermodellen en experimenten met proefpersonen.

Evoluerende fluittalen

In samenwerking met onderzoekers van de Universiteit van Edinburgh wordt er aan de Universiteit van Amsterdam gewerkt aan een nieuw experiment. Dit experiment heeft als doel om het ontstaan van structuur in spraak te onderzoeken. Hoe kun je nu met proefpersonen die al een taal spreken het ontstaan van dit type structuur bestuderen?

Daar hebben de onderzoekers iets op bedacht. Ze lieten mensen geen bestaande gesproken talen leren, maar verzonnen fluittalen. De proefpersonen moesten met een trekfluit fluitsignalen imiteren en onthouden. Daarna moesten ze alle geluiden nog eens produceren. Dit ging niet foutloos omdat ze eigenlijk net niet genoeg tijd kregen om alle geluiden helemaal perfect te kunnen onthouden. De volgende persoon in het experiment kreeg dan de producties van de voorgaande persoon te leren. Op deze manier werd een ‘ketting’ van leerders gecreëerd.

De onderzoekers vergeleken de producties van een proefpersoon met die van de persoon ervoor. Ze ontdekten dat de signalen later in de ketting steeds beter werden gereproduceerd. Met andere woorden: de fluittalen werden inderdaad leerbaarder. Ook vergeleken ze de producties van de laatste persoon in de ketting met de set geluiden die de eerste persoon moest leren. In dit geval zagen ze dat er geleidelijk structuur was ontstaan in de fluittaal. Deze structuur is vergelijkbaar met de structuur die aanwezig is in de uitspraak van gesproken talen.

Dit soort experimenten laat zien dat regelmatigheden in taal kunnen ontstaan doordat de taal van generatie tot generatie wordt doorgegeven. De taal ondergaat hierbij een selectieprocedure waarbij alleen leerbare structuren ‘overleven’. Op deze manier zorgt de evolutie van taal ervoor dat de taal zich aanpast aan het brein.

Bronnen:
  • Kirby, S., Cornish, H., Smith, K. (2008). Cumulative cultural evolution in the laboratory: An experimental approach to the origins of structure in human language. Proceedings of the National Academy of Sciences, 105(31), 10681-10686.
  • Verhoef, T., Kirby, S. & Padden, C. (2011). Cultural emergence of combinatorial structure in an artificial whistled language. In L. Carlson, C. Hölscher & T. Shipley (Eds.), Proceedings of the 33rd Annual Conference of the Cognitive Science Society (pp. 483-488). Austin, TX: Cognitive Science Society.
  • Verhoef, T. & Boer, B.G. de (2011). Cultural emergence of feature economy in an artificial whistled language. In E. Zee & W. Lee (Eds.), Proceedings of the 17th International Congress of Phonetic Sciences (pp. 2066-2069). Hong Kong: City University of Hong Kong.
Categories: Feedblock

Ideofonen openen je ogen voor compleet andere taal

Sat, 04/02/2012 - 05:07

Het Nederlands kent nauwelijks ideofonen. “In woorden die met gl- beginnen, zoals glanzen, glimmen, glinsteren, gloeien zit iets van een overeenkomstige visuele ervaring”, weet Dingemanse. “Maar dat zijn slechts een handvol woorden, en ze vormen geen aparte woordklasse.” Onomatopeeën (woorden als boem en plons) komen er dichter bij: Dingemanse ziet ze als een subcategorie ideofonen, die alleen over geluid gaat.

Talen met veel ideofonen, zoals het Siwu, beperken zich niet tot die categorie. In die taal kun je in woorden veel meer uitdrukken. Bijvoorbeeld hoe stevig en tegelijkertijd verend de zitting van zijn bureaustoel is, doet de onderzoeker voor (fwé-fwé-fwé). Of hoe harig het hoogpolig tapijt (wurufuuuu; lees “oe” voor “u”). Andere voorbeelden van ideofonen uit het Siwu zijn kpatàà! (‘plotselinge verschijning’); sinisinisini (‘dicht opeen geweven’); pumbuluuuu (‘dikke ronde buik’); en saaa (‘fris gevoel in de mond’). Deze woorden vormen in het Siwu een aparte woordklasse, herkenbaar aan hun opvallende vormen.

Voor zijn promotieonderzoek verbleef Mark Dingemanse (midden van de foto) tien maanden onder het Mawuvolk in het bergdorpje Akpafu-Mempeasem in Ghana. Afbeelding: © Mark Dingemanse

Demonstreren

Dingemanse onderzocht voor zijn proefschrift zo’n 500 ideofonen in het Siwu. Hij deed dat onder andere door mensen te filmen in alledaagse gesprekssituaties, zonder te vertellen waarnaar hij specifiek op zoek was. Alleen op die manier kon hij er achter komen hoe ideofonen worden gebruikt in spontane spraak. Dingemanse constateerde dat ze lang niet alleen ‘dramatisch’ gebruikt worden, om verhalen levendig te maken, zoals wel verondersteld werd. Ideofonen bleken in het Siwu ook heel geschikt om tussen de regels door duidelijk te maken dat iemand meer recht van spreken heeft dan de ander. “Met ideofonen kun je demonstreren: ik weet niet een beetje maar heel precies hoe dit of dat eruit ziet of voelt of ruikt. Ik heb dat namelijk ervaren, en dus weet ik er meer van dan jij.”

Etnocentrisch

Ideofonen komen over de hele wereld voor, vooral in niet-westerse talen. In Zuid-Oost Azië, Japan, Korea, vrijwel heel Afrika, de inheemse talen van Noord- en Zuid-Amerika, maar ook in het Turks en Baskisch zijn ze een bekend fenomeen. Toch heeft de taalwetenschap er lang weinig aandacht voor gehad. Ten onrechte, vindt Dingemanse, want taalwetenschappers horen natuurlijk alle taal, in alle diversiteit, te willen leren kennen en begrijpen. “Taalkundige fenomenen die je als westerling niet herkent buiten beschouwing laten, daar zit iets etnocentrisch in. Op die manier leren we niet hoeveel méér taal kan zijn en doen.”

De sprekers van het Siwu noemen zichzelf de Mawu. Ze leven verdeeld over acht dorpen in de bergen ten oosten van Lake Volta en ten noorden van Hohoe in Ghana. Hun land Kawu is verdeeld in Akpafu (noordwesten) en Lolobi (noordoosten), waar twee verschillende dialecten worden gesproken. Afbeelding: © Mark Dingemanse

Dingemanses proefschrift wordt vergezeld van een website waar videoclips en geluidsfragmenten afgespeeld kunnen worden (zie met name hoofdstuk 6). Mark Dingemanse (Middelburg, 1983) studeerde Afrikaanse taalkunde aan de Universiteit Leiden. Zijn promotieonderzoek, waarvoor hij tien maanden veldwerk deed in Ghana, is begeleid vanuit het Centre for Language Studiesstudies/centre_for_language/ van de Radboud Universiteit en de Language & Cognition Group van het Max Planck Instituut in Nijmegen. Momenteel is Dingemanse werkzaam als onderzoeker bij het Max Planck Instituut._

Zie ook:
Categories: Feedblock

“Emotie is cruciaal voor taal”

Fri, 03/02/2012 - 04:39

Prof.dr. Jos van Berkum

Mede onder invloed van de bekende taalwetenschapper en filosoof Noam Chomsky, maar ook door de nog steeds gangbare computermetafoor, wordt taalgebruik in wetenschappelijk onderzoek vaak gezien als het belangeloos via een soort intermenselijk TCP/IP heen en weer schuiven van informatie. “Maar mensen zijn geen modems, mensen zijn dieren die altijd van alles willen”, aldus Van Berkum. “En daarmee ook altijd van alles voelen. Dat gevoel is een cruciale factor in hoe we taal gebruiken en beleven.”

Doelen en belangen

Van Berkum: “Mensen hebben door biologische evolutie, cultuur, en hun eigen ontwikkeling altijd allerlei doelen en belangen. Eten, hitte en kou vermijden. Maar ook: gerespecteerd worden, verbinding, je kinderen helpen hun weg te vinden. We streven nogal wat na in het leven. En al deze doelen worden onophoudelijk bewaakt door ons affectieve systeem, de delen in ons brein die betrokken zijn bij onze emoties, stemmingen, voorkeuren en attitudes.”

Gevoelens kleuren onze waarneming

Uit emotieonderzoek dat Van Berkum in zijn oratie bespreekt blijkt hoe belangrijk dat affectieve systeem is. “Dit systeem kleurt voortdurend onze waarneming, ons redeneren, en de keuzes die we maken; we zien de wereld nooit objectief, maar altijd vanuit wat we wel en niet willen”, aldus Van Berkum. “Dat heeft ook invloed op taal en communicatie.”

Zonder gevoelens geen taal

Zo blijken woordjes die onze belangen raken voorrang te krijgen in het brein. Gesprekspartners doen van alles om maar niet op elkaars tenen te trappen. En in een sombere stemming kijken lezers minder vooruit, naar hoe een zinnetje zal aflopen. “Allemaal tekenen van de sterke verwevenheid van taal en gevoel”, aldus Van Berkum. “Van losse woordjes tot romans, van roddel tot kamerdebat: niks ontsnapt aan de aandacht van ons gevoel. En het wordt hoog tijd om die gevoelskant van taal meer te onderzoeken.”

Categories: Feedblock

In Limburg spreekt men overal anders

Fri, 03/02/2012 - 04:39

Prof.dr. Leonie Cornips.

Leonie Cornips is onderzoekster aan het Meertens Instituut en gepromoveerd op het gesproken Nederlands van Heerlen. De komende vier jaar is ze voor één dag per week verbonden aan de Universiteit van Maastricht. Daar gaat ze colleges verzorgen en onderzoek uitvoeren. De leerstoel ‘Taalcultuur in Limburg’ wordt betaald door de Provincie, die ook de aanstelling van de Limburgse streektaalfunctionaris financiert.

Gunstig effect

Eén aspect van het onderzoek is de constructie van lokale identiteit in Limburg. Deze wordt onderzocht door promovenda Lotte Thissen. Zij gaat op een antropologische manier te werk: door het ‘veld’ in te gaan en mensen te volgen zal ze proberen te ontrafelen hoe Limburgers hun lokale identiteit(en) beleven en vormgeven in taalgebruik. Cornips spreekt in dit geval van een in Nederland relatief nieuwe discipline: één waarin antropologische en taalkundige theorie en methoden met elkaar worden gecombineerd.

Cornips wil ook onderzoeken wat de invloed is van het dialect op het leren van het Nederlands en vice versa, bij kinderen die van huis uit in deze beide variëteiten opgroeien. “Het lijkt erop dat een dialectachtergrond vooral een gunstig effect heeft op bijvoorbeeld de verwerving van het bepaald lidwoord ‘het’ in het Nederlands”, aldus de onderzoekster. “Kinderen die tweetalig worden opgevoed – in dialect en Nederlands – verwerven het grammaticaal geslacht van het bepaald lidwoord eerder dan eentalige kinderen.”

Onontgonnen terrein

Dat veel kinderen opgroeien met het Limburgs dialect blijkt uit verschillende onderzoeken. In een grootschalig onderzoek naar dialectgebruik tussen ouders en kinderen, duiken de hoogste percentages op in Limburg. Toch is er naar de relatie tussen identiteit en dialectgebruik in Limburg zelf nog weinig onderzoek verricht. “In die zin is Limburg nog onontgonnen terrein”, meent Cornips.

Haar onderzoek zal zich ook richten op de verwerving van het Limburgs onder Nederlandse kinderen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond. “Verwerven zij het dialect en zoja, hoe? Waar pikken zij het op? Ook die vraag is nog onbeantwoord. Tot nu toe zijn alleen in Amsterdam en Nijmegen studies gedaan naar Amsterdamse en Nijmeegse taalelementen in het Nederlands van jongeren met een Marokkaanse en Turkse achtergrond.”

Ook in dit onderzoek kiest Cornips niet voor een traditionele benadering: “Onderzoek naar dialectgebruik gaat meestal uit van de zogenaamde domeingedachte. Zo zouden kinderen thuis dialect spreken en op school Nederlands. Maar in werkelijkheid ligt het niet zo zwart-wit. Welke taal men gebruikt verschilt per interactie. Dat wil zeggen dat zowel de context, de gesprekspartner als het onderwerp van het gesprek van invloed zijn op de taalkeuze die gemaakt wordt. Door onderzoek van studenten naar kleine kinderen in Limburg die thuis dialect spreken, weet ik dat ze wanneer ze spelletjes spelen, overschakelen op het Nederlands. Op de basisschool wordt meestal Nederlands gesproken. Maar als een kind valt en getroost moet worden, schakelt de docent over op dialect.”

In 2003 werd een onderzoek gedaan naar dialectgebruik onder ouders en hun kinderen. Daaruit bleek dat het Limburgs het meest gesproken werd door deze groep mensen. In dat jaar sprak nog 57% van de Limburgse ouders Limburgs. Met dat percentage behaalde het Limburgs de hoogste score, gevolgd door het Fries, Zeeuws, Nedersaksisch en Brabants.

Het kaartje hiernaast is een zogenaamde isoglossenkaart. In het verleden werd het veel gebruikt om dialectgrenzen aan te geven. Een isoglosse is een klein, systematisch taalverschil tussen dialecten dat als een grens door een taalgebied loopt. Op deze kaart wordt het Limburgs ingedeeld in een aantal verschillende dialecten. Daarbinnen zijn weer groepen of ‘families’ te onderscheiden die een aantal kenmerken delen. Eén van de dingen die Cornips gaat onderzoeken is of het idee van isoglossen nog wel houdbaar is.

Lappendeken

Dat het Limburgs dialect nog volop gesproken wordt, heeft ook te maken met een positieve attitude van de sprekers. Cornips: “Men is heel positief over het dialect, vooral in Maastricht”. Maar waarom dat precies zo is daar kunnen we alleen maar naar gissen. Het onderzoek dat tot nu toe is verricht laat slechts tendensen zien. Op de vraag of de erkenning van het Limburgs in 1997 wellicht heeft bijgedragen aan de positieve attitude, is geen eenduidig antwoord mogelijk. “Dit kunnen we immers niet meten.”

Waarschijnlijk heeft het te maken met de eigen historie van Limburg, legt Cornips uit: “Het was het laatste gebied dat werd toegevoegd aan het Koninkrijk der Nederlanden en toen pas – tussen 1830 en 1860 – kreeg de provincie zijn huidige vorm. Daarvoor was het een lappendeken van zelfstandige en afhankelijke gebieden te midden van regionale, nationale en internationale ontwikkelingen. Daarom zegt men in Limburg: hier spreekt men overal anders. Misschien is het juist die verscheidenheid die voor eenheid zorgt. Maar ook dat is iets dat we de komende tijd willen gaan onderzoeken.”

Zie ook:
Categories: Feedblock