VIII Vervolging, 'rehabilitatie' en Afrikaans avontuur
Na de oorlog werden vele acteurs en actrices ondervraagd door de bezettingsmachten. Sommigen kregen toestemming weer aan het werk te gaan terwijl anderen, onder wie Leni Riefenstahl, op de zwarte lijst belandden. Het rapport dat het 'Seventh Army Interrogation Center' opstelde, is voor een belangrijk deel door G.B. Infield afgedrukt. In het rapport wordt Leni Riefenstahl beschreven als een gebroken vrouw, geheel gedesoriënteerd door de ineenstorting van het Derde Rijk. 'It's difficult to recognize the leading actress of the films Das Blaue Licht, Die Weisse Hölle vom Piz Palü, Stürme über dem Montblanc, and SOS-Eisberg in this aging, seriously ailing woman. Arrest, interrogation, and internment have strongly affected her mental state, and gives the impression of a broken human being' (79).
Zij zegt tijdens dit onderzoek dingen die in het geheel niet kloppen. Zo beweerde ze b.v. dat ze buiten Hitler en Speer niemand kende onder de nazi's. Uit brieven blijkt echter dat ze het ook met Julius Streicher, bekend als een van de ergste Joden-haters, goed kon vinden. Hij hielp haar in een proces tegen de Jood Béla Belázs en ze bezochten elkaar privé (80).

Goebbels, Riefenstahl en Hitler
De Amerikanen vroegen haar ook naar hetgeen ze wist over de Joden vervolgingen en de concentratiekampen. Ze zegt dan dat ze daar niets van wist. 'Today, when I hear all these dreadful things which happened to Germany. I could cry. And I cannot crasp how any of the people who shared Hitler's political ideas have the courage to continue living. I would have committed suicide had I felt that I shared the responsibility for these crimes' (81). Zij voelde geen verantwoordelijkheid voor de politieke gebeurtenissen in Duitsland, omdat ze nou eenmaal slechts een kunstenares was. 'She had never thought about the Fuhrer's policy because she does not have the slightest idea about these things (82). Ze zegt nooit anti-semitische ideeën te hebben gehad en veel met Joden te hebben samengewerkt. Maar de enige die ze met name noemt, beschrijft ze vervolgens als oneerlijk en verradelijk (83). Ook Harry Sokal geeft een anecdote waaruit blijkt dat ze niet zo vriendelijk over Joden dacht als ze de onderzoekscommissie doet voorkomen. Sokal zegt: 'Riefenstahl blamed the Jewish critics for trying to wreck her career. She said that they where 'foreigners' who didn't understand her art and when Hitler came to power he would not permit them to do such things' (84). Daarbij vergat ze dat Harry Sokal zelf Joods was en dat hij en Béla Belázs een belangrijk aandeel hadden in de totstandkoming van haar films en het daarop volgende succes. Henry Jaworsky, half-joods, getuigt daarentegen dat hij van Leni Riefenstahl nooit een anti-semitische opmerking heeft gehoord en dat zij hem ook tijdens de oorlog herhaaldelijk heeft geholpen als hij in moeilijkheden zat in verband met zijn gedeeltelijk Joodse achtergrond (85). Na deze eerste ondervragingsronde door de Amerikanen werd Leni Riefenstahl nog vele malen verhoord en uiteindelijk kwam ze in 1949 als 'Symphatisant' in het dossier.

In 1952 werd ze van vervolging ontslagen en mocht ze haar werk als film-maker hervatten. Voor de derde maal pakte ze het project op waar ze 21 jaar eerder aan begonnen was: de film Tiefland. In 1954 kwam de film in de bioscopen. Succes bleef uit en daarom haalde zij de film uit de roulatie. Volgens Nowotny was de stijl verouderd. Ook de naam Jean Cocteau, die de Franse ondertitels maakte, kon de film niet redden. Later hebben Leni Riefenstahl en Cocteau nog een keer samengewerkt aan een film die Friedrich und Voltaire moest gaan heten. Dit project kwam niet van de grond door de dood van Cocteau. Ze heeft daarna nog een tiental plannen gemaakt voor andere films, maar daar is nooit iets van terecht gekomen. Het lukte haar niet de films gefinancierd te krijgen of acteurs of actrices aan te trekken.
Toen het succes in Europa uitbleef, beproefde ze haar geluk in Afrika. Ze wilde in Soedan een semi-documentaire maken over de slavenhandel, Schwarze Fracht. Maar het ongeluk achtervolgde haar ook daar. Het begon met een auto-ongeluk in Kenia en later kwamen hier nog financiële problemen bij, zodat ze het project moest opgeven. In de jaren '60 is ze gaan fotograferen in Afrika. Ze concentreerde zich op de Nuba's. Een stam in de oerwouden van Afrika die in die tijd nog geheel afgesloten van de westerse beschaving leefde. Over de Nuba's wilde ze ook een film maken, The last of the Nuba, maar toen ze een deel van de film had opgenomen, werden de negatieven door een verkeerd gebruik van de chemicalien verpest.
