Hijstek tekst en research



III Het keerpunt

Het mislukken van de twee Vier-mogendheden conferenties in Genève in de zomer van 1959 en in Parijs in 1960 bevestigde nogmaals dat de VS en de Sovjet-Unie niet meer geïnteresseerd waren in een hereniging van Duitsland en het vergrote de scepsis bij de SPD- leiding over de kansen van het Deutschlandplan. Geleidelijk aan drong het tot de SPD door dat er weinig anders over bleef dan acceptatie van de status-quo en aanvaarding dat de Duitse hereniging een doel op de lange termijn geworden was. Dat maakte een grondige herziening van de veiligheidspolitiek noodzakelijk.

De eerste tekenen van deze heroriëntering werden duidelijk in een redevoering van Helmut Schmidt in de Bondsdag op 5 november 1959, in een debat over de buitenlandse politiek. Het zou echter nog een jaar duren voordat de partij deze nieuwe koers officieel accepteerde. Schmidt zegt in zijn redevoering dat de instelling van een ontspanningszone in Midden-Europa met een beperkte bewapening en zonder kernwapens naar zijn mening nog steeds de moeite waard is (36). De bedoeling was dat alle vreemde troepen zich terugtrokken uit deze zone en nationale bewapening op een lager niveau werd gebracht.

De overeenkomsten tussen dit voorstel van Schmidt en het Deutschlandplan zullen duidelijk zijn, maar er zijn ook een paar essentiële verschillen aan te wijzen. In tegenstelling tot het Deutschlandplan koppelt Schmidt zijn voorstel niet aan een uitreden uit de NAVO of aan een oplossing van det Duitse vraagstuk (37). In het Deutschlandplan had de hereniging nog centraal gestaan en hereniging van Duitsland zou een bijdrage leveren aan de vrede en veiligheid in Europa (38). Schmidt gaat in zijn redevoering uit van de bestaande situatie. Verandering van de status-quo of verandering van het militaire evenwicht brengt de veiligheid van Duitsland en Europa in gevaar (39). Schmidt wil een Centraal-Europese 'balance of power' op een lager niveau om de kans op een directe confrontatie tussen de supermachten te verminderen. De legers van de NAVO en het Warchaupact hebben in het geval van conflict immers meer tijd nodig voordat zij tegenover elkaar komen te staan. Anders gezegd, Schmidt wil de kans op een verrassingsaanval of toevalsoorlog zo klein mogelijk maken (40). De Duitse veiligheid staat dus voorop en het probleem van de Duitse deling was daaraan ondergeschikt geworden. Het Duitse vraagstuk zou in een later stadium kunnen worden opgelost in het kader van een Europees veiligheidssysteem. Schmidt erkent dat er enige politieke en psychologische problemen aan zijn voorstel kleven. Hiermee doelt hij op de weerzin van de overige NAVO landen een 'Paar amerikanische Soldaten mehr aufzunehmen, als sie heute haben'(41). Schmidt is ook niet over-optimistisch over de reactie van de SU. Hij beseft dat   terugtrekking van Russische troepen uit de DDR, Polen en Tsechoslowakije de nodige politieke consequenties zal hebben. Enige hoop dat de SU het voorstel serieus neemt, heeft hij echter wel. De SU had immers zelf kort daarvoor een voorstel gedaan voor een kernwapenvrije zone in Midden-Europa (42). Daaruit blijkt volgens Schmidt de goede wil van de SU. Tot slot wijst Schmidt erop dat naar zijn mening de dreiging uit het Oosten zeer gering is. Een zone met een beperkte bewapening maakt die dreiging alleen nog kleiner (43).

In het boek Verteidigung oder Vergeltung uit 1961 werkt hij deze ideeën verder uit en geeft hij een analyse van de strategische problemen van de NAVO. Bij Schmidt had zich een vrij revolutionaire omslag voltrokken. Begin 1959 was hij nog intensief betrokken geweest bij het ontstaan van het Deutschlandplan dat was gebaseerd op de mogelijkheid de status-quo in Europa te veranderen. In november van hetzelfde jaar verkondigde hij ineens dat de ontspanning wel moest worden bevorderd, maar dat mocht niet ten koste gaan van het bestaande militaire evenwicht en de status-quo.

Dat de partij Schmidt nog niet direct wilde volgen, bleek op het partijcongres van de SPD in Bad Godesberg van 13 tot 15 november 1959. Het was een speciaal partijcongres om het 34 jaar oude partijprogramma te herzien. In het veiligheidsprogramma veranderde nog weinig. Bekende onderwerpen als ontwapening en hereniging keerden terug, maar verder kreeg het een algemeen en vaag karakter. De SPD bevestigde nogmaals dat ze bewapening van de Bundeswehr accepteerde, maar het standpunt tegenover atoombewapening en de NAVO bleef onduidelijk (44). Schmidt had in zijn toespraak kort daarvoor gepleit voor het lidmaatschap van de NAVO en was daarin zelfs verontwaardigd over het feit dat de regering elke keer insinueerde dat een SPD-regering Duitsland uit de NAVO haalde (45). Zo vreemd was dat echter niet want op dat moment sprak de SPD zich nog steeds niet duidelijk uit over haar houding tegenover de NAVO en dat deed ze ook niet in Bad Godesberg.

De verschuivingen in het veiligheidsprogramma werden pas in 1960 duidelijk. Langzaam nam de SPD een steeds kritischer houding aan tegenover de SU. In een pamflet dat de SPD begin februari 1960 publiceerde, werd gewezen op de expansionistische politiek van de Sovjet-Unie. De SU was niet uit op 'vreedzame coëxistentie van staten met een ander regeringssysteem, maar op  ondermijning en verzwakking van de westerse macht en expansie en consolidatie van de Sovjet macht'(46). Deze verklaring verschilde nogal van eerdere uitspraken van de SPD, waarin telkens de nadruk was gelegd op de veranderingen die in de SU hadden plaats gevonden sinds de dood van Stalin in 1952. Bovendien kondigde Wehner, de geestelijke vader van het Deutschlandplan, op 17 maart 1960 aan dat het Deutschlandplan definitief van de baan was. Op het partijcongres in Hannover in november 1960 accepteerde de partij de nieuwe koers, die Schmidt reeds had aangekondigd. Naast herbewapening accepteerde de partij in Hannover ook lidmaatschap van de NAVO en eventueel zelfs kernwapens, wanneer het initiatief daarvoor van de NAVO kwam.

Twee jaar na de 'Atomtod'-campagne en het partijcongres in Stuttgart, waar nog met meerderheid van stemmen een resolutie was aangenomen waarin een nauwe band met de NAVO werd afgewezen, gooiden de sociaal-democraten het roer totaal om. Terwijl in de jaren vijftig de veiligheidspolitiek van de SPD in de eerste plaats was gericht op de hereniging, kwam in de jaren zestig de veiligheid van de Bondsrepubliek op de eerste plaats te staan. Met deze nieuwe koers reageerde de SPD niet alleen op de veranderde politiek van de grote mogendheden, de partij hoopte daarmee ook met de verkiezingen van 1961 uit het 'dertig procent getto' te komen. Het aantal stemmen voor de SPD steeg inderdaad tot 36.6 procent, maar het bracht de partij niet in de regering.