V 'Strategie des gleichgewichts' en 'Osteuropapolitik'
Ook de Cubacrisis en de daarop volgende détente-politiek, waarin een gedeeltelijke samenwerking tussen de VS en de Sovjet-Unie op gang kwam, veranderde niets aan de basisprincipes van Schmidts veiligheids-concept. Wel komt er in het midden van de jaren zestig een element bij. Schmidt gaat dan meer aandacht besteden aan het probleem van de Duitse deling.De supermogendheden waren niet meer geïnteresseerd in een hereniging van Duitsland, omdat dat de status-quo in gevaar zou brengen.Schmidt gaat er op dat moment an uit dat zelfs een hereniging van Duitsland onder communistisch regime ongewenst is voor de SU (65).
Onder invloed van deze ontwikkeling lieten de westerse bondgenoten in het midden van de jaren zestig aan Duitsland doorschemeren dat zij niet langer bereid waren hun solidariteit met de BRD, tegenover het Oostblok te demonstreren, wanneer de Bondsrepubliek zelf niet ook een poging deed om het ontspannings-proces te bevorderen. Er werd dus aangedrongen op een herziening van de politiek 'der Starke' en de daarop gebaseerde Hallstein-doctrine.
Ook binnen Duitsland nam de druk op de regering de betrekkingen met het Oostblok en de DDR te verbeteren toe. Het was vooral de SPD en partijleider Willy Brandt die zo'n Osteuropapolitik voorstonden. Maar ook Helmut Schmidt pleitte vanaf 1966 voor een toenadering tot Oost-Europa. Volgens Schmidt was de veiligheid in Europa en de huidige détente gebaseerd op het militaire evenwicht tussen de beide machtsblokken. Een politiek die zich richtte op doorbreking van deze status-quo, zoals de politiek 'der stärke', bracht de vrede en veiligheid en de ontspanning in gevaar (66).
Acceptatie van het evenwicht betekende voor hem evenwel niet dat Duitsland zich gelaten bij de deling moest neerleggen. West-Duitsland had immers moreel en grondwettelijk de plicht te streven naar de hereniging. Maar de status-quo moest wel het uitgangspunt van het herenigingstreven zijn. 'Entspannung macht Verteidigung und Soldaten nicht überflüssig sondern sie setst sie voraus' (67). De Duitse regering moest gebruik maken van de mogelijkheden die het ontspanningsproces zou bieden om de betrekkingen met het Oostblok en de DDR te verbeteren. Daarmee kon Duitsland in het Oosten vertrouwen wekken en daar lag volgens Schmidt de sleutel voor een succesvolle hereniging van Duitsland in de toekomst. Schmidt zegt in dat verband: 'De hereniging is geen juridische kwestie die door het oordeel van een onpartijdige rechter kan worden beslist. Het is een lang proces waaraan alle betrokken volken hun goedkeuring moeten verlenen'(68). Daarom moet de angst voor Duitsland niet alleen in het Westen maar ook in het Oosten worden weggenomen. Op de korte termijn kan een verbetering van de Duits-Duitse betrekkingen bijdragen aan verbetering van de menselijke leefsituatie in de DDR en door een intensivering van de economische betrekkingen kunnen de grenzen op den duur versoepeld worden en de deling worden verlicht. Afwijzing van het communistische regime in de DDR en verwerping van een volkenrechtelijke erkenning van de DDR hoeven zo'n politiek niet in de weg te staan.
De Friedensnote waarmee de regering Erhard op 25 maart 1966 mee kwam, noemde Schmidt een eerste stap op de goede weg. De nota bevatte een reeks voorstellen voor wapenbeheersing en ontspanning in Europa. Dat maakte een normalisering van de betrekkingen met Oost-Europa mogelijk. Schmidt plaats echter ook een aantal kantekeningen bij de nota. Zo is het volgens hem fout dat het voorstel voor de bevriezing cq. vermindering van de kernwapens in Europa wordt verbonden aan oplossing van het Duitse vraagstuk. Als ontwapeningsvoorstellen indruk moesten maken dan mochten zij niet met zulke voorwaarden worden belast. De hereniging van Duitsland kon slechts het resultaat zijn van een langdurig ontspanningsproces en niet voorwaarde voor ontspanning.
De Osteuropapolitik die Schmidt in zijn redevoering bepleit, lijkt voor een groot deel van Willy Brandt afkomstig te zijn. Toch is het wellicht interessant om op te merken dat Schmidt zelf in 1959, in het kader van het Deutschlandplan, een theoretische studie verrichtte naar de mogelijkheden van een economische en monetaire unie tussen de twee Duitse staten. Schmidt's pleidooi voor een toenadering tot het Oostblok moet niet worden gezien als een verandering in Schmidts strategisch concept. Integendeel het belangrijkste element in de strategische analyse van Schmidt was onveranderd gebleven: het behoud van het militaire evenwicht tussen de grote mogendheden is essentieel voor vrede en veiligheid in de wereld (Strategie des Gleichgewicht). Dit evenwicht maakte ontspanning mogelijk. Andersom zou een verstoring van de détente, door een verstoring van het evenwicht, de Ostpolitiek in gevaar brengen.

De Alliantiepolitiek van Schmidt en de Ostpolitiek van Brandt zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. In dit verband is het vreemd dat Amerika in eerste instantie zo'n wantrouwen koesterde tegenover de Ostpolitiek, want als er iemand bang was om de hechte band met het Westen te verliezen dan was het Schmidt wel.
Vanaf december 1967 werd de dubbele strategie waarin militaire veiligheid werd verbonden met politieke ontspanning de officiële politiek van de NAVO. In het Harmel-bericht werd de nieuwe opgave van het bondgenootschap gedefinieerd. De centrale uitspraak van het bericht was dat 'Militärische Sicherheit und eine Politik der Entspannung...keinen Widerspruch, sondern eine gegenseitige Ergänzung' waren (69). Bovendien accepteerde de NAVO toen de strategie van de 'flexible respons'.
Toch dreigde het eerste deel van het Harmel-besluit eind jaren zestig enigszins verwaarloosd te worden. Er gingen op dat moment in Amerika steeds meer stemmen op de troepen eenzijdig terug te trekken uit Europa. Volgens Schmidt zou terugtrekking van de Amerikaanse troepen onherroepelijk leiden tot een overwicht van het Warschaupact, omdat de Europese bondgenoten deze strijdkrachten militair, politiek noch psychologisch kunnen vervangen. Door dit overwicht kunnen bepaalde gebieden, zoals West-Berlijn, in een 'politieke wurggreep' raken en zal West-Duitsland onder druk komen te staan. De détente en de Duitse ontspanningspolitiek tegenover Oost-Europa zullen dan in gevaar komen (70). 'The maintainance of an effective defense depends on the continuity of a balance of power as does the improvement of East-West relations' (71). Een vermindering van de conventionele bewapening in Europa is, volgens Schmidt, alleen acceptabel in het kader van een evenwichtige en wederzijdse troepenvermindering (MBFR) (72).
Schmidt was niet de enige die zich zorgen maakte over een eenzijdige vermindering van de Amerikaanse strijdkrachten en in 1968 kwam de wederzijdse vermindering van de troepen ook op de agenda van de NAVO. In juni 1968 zond de NAVO het zgn 'Signaal van Reykjavik' uit. Daarmee werd aan het Warschaupact onderhandelingen voorgesteld over wederzijdse en evenwichtige troepenvermindering. De inval in Tsjecho-Slowakije later in dat jaar verhinderde tijdelijk voortgang in dit ontspanningsproces. Maar de discussie over de MBFR kreeg een nieuwe impuls toen het Warschaupact begin 1969 een al eerder gedaan voorstel voor een Europese veiligheidsconferentie herhaalde. In het NAVO-beraad van december 1969 werd de MBFR opnieuw besproken. Toen bleek dat er nogal wat onenigheden bestonden over doelen en methode van de wederzijdse troepenvermin-dering. Daar kwamen nog meningsverschillen tussen de BRD en Amerika bij. De Bondsrepubliek wilde het 'Signaal van Reykjavik' herhalen, terwijl Amerika een afwachtende houding aannam en verdere studies over het onderwerp wilde afwachten. Bovendien werd Amerika op dat moment geheel in beslag genomen door de SALT-onderhandelingen. De VS wilden dat proces niet verstoren door onderhandelingen over wederzijdse vermindering van de troepen (73). Al met al had dit Navo-beraad voor de BRD een teleurstellend resultaat.
Op initiatief van Schmidt, sinds september 1969 minister van defensie in het kabinet van Brandt, werd toen een eigen studie over het onderwerp gemaakt. Tegelijk probeerde Schmidt door middel van waarschuwingen aan het adres van de Amerikaanse senaat duidelijk te maken welk belang de Amerikaanse troepen in Europa dienden. Bovendien spoorde hij de Europese bondgenoten aan de defensie uitgaven te verhogen als signaal aan Amerika dat Europa bereid was een groter deel van de defensielasten te dragen. Hier kwam in december 1970 het European Defence Improvement Programme (EDIP) uit voort. Dit signaal werd inderdaad door Nixon aangegrepen om de Europese bondgenoten in een verklaring te verzekeren dat de VS nooit unilateraal zijn troepen zou verminderen.
De inspanningen van Helmut Schmidt om een eenzijdige vermindering van de Amerikaanse troepen te voorkomen, illustreren de waarde die hij en de regering Brandt hechtten aan het behoud van het militaire evenwicht tussen Oost en West. Uiteindelijk werd in Wenen in 1973 een begin gemaakt aan de onderhandelingen. Tot noch toe hebben die echter weinig resultaat gehad.
Ondertussen zat Schmidt ook niet stil op het gebied van de West-Duitse defensie. Begin jaren zeventig ontwierp Schmidt een plan voor de veiligheid van de Bondsrepubliek. Dat plan werd gepresenteerd als een integraal onderdeel van de detentepolitiek. In het plan verdedigde Schmidt een drastische vernieuwing en versterking van het leger met de paradoxale redenering dat de verminderde spanningen tussen Oost en West, maatregelen ter versterking van het Duitse leger mogelijk maakten. Zulke maatregelen zouden voorheen immers met groot wantrouwen zijn bekeken (74). Deze redenering waarin ontspanning en defensie-inspanningen werden verbonden was niet nieuw. Als gevolg van Schmidts defensiepolitiek was het Duitse leger in 1975 niet alleen het grootste maar ook het modernste leger van Europa