VI Op weg naar het Dubbelbesluit
Na een kort intermezzo op het ministerie van financiën nam Schmidt in mei 1974 het kanselierschap over van Brandt. De economische en sociale crisis en de terroristische acties waarmee de regering Schmidt werd geconfronteerd, voegden een nieuwe dimensie toe aan het veiligheidsconcept van Schmidt. 'These aspects [economische-, sociale- en binnenlandse veiligheid] do not replace the earlier models of balance and inbalance of power around the globe. But I believe that they must be added to those concept which, in time, they will change and modify' (75). Een gezonde economie, met volledige werkgelegenheid en sociale gerechtigheid, is, volgens Schmidt, de basis van elke veiligheid. Alleen met een gezonde economie kan het Westen het strategische evenwicht behouden. Bovendien bedreigt instabiliteit het voortbestaan van de democratische instituties (76).Het evenwicht en de afschrikkingstrategie werden echter niet alleen bedreigd door de economische en sociale crisis. Ook de detentepolitiek bedreigde het evenwicht. De détente tussen Amerika en de SU had geleid tot besprekingen over ontwapening tussen de SU en de VS. Daar waren het non-proleferatie verdrag, het ABM-verdrag en het SALT-I akkoord uit voort gekomen. Datzelfde SALT-verdrag vormde nu, volgens Schmidt, een bedreiging van het evenwicht en de ontspanning. Tot op dat moment had Amerika het tekort op het gebied van tactische kernwapens en conventionele bewapening in Europa gecompenseerd met een overwicht in strategische kernbewapening (lange afstandraketten). Het SALT-akkoord neutraliseerde de strategische defensiecapaciteit van Amerika en de Sovjet-Unie. Daardoor was een onevenwichtigheid ontstaan in Europa op het gebied van de tactische kernwapens en de conventionele bewapening (77).
Schmidt pleitte daarom voor een directer verband tussen de SALT- en de MBFR-onderhandelingen (78). In de loop van de jaren zeventig legde Schmidt in artikelen elke keer weer de nadruk op het gevaar van een conventionele onevenwichtigheid.
Vreemd genoeg zegt hij in zijn memoires, Menschen und Mächte, zo ongeveer het tegenover gestelde. Daarin zegt Schmidt dat het numerieke overwicht van het Warschaupact op het gebied van de conventionele bewapening al veertig jaar bestaat en bovendien wordt het huidige overwicht door de Amerikanen overdreven. West-Europese troepen hebben voldoende afschrikkingkracht en dat is al zo sinds de opbouw van de West-Duitse strijdkrachten, aldus Schmdit in zijn memoires (79). Dit maakt het niet echt duidelijk waarom Schmidt zich dan in de jaren zeventig wel zo'n zorgen maakte over het conventionele overwicht van het Warschaupact sinds het SALT-akkoord.
Er moest ook iets worden gedaan aan de onevenwichtigheid op het gebied van de Eurostrategische raketten. De vernieuwde Eurostrategische-raketten van de Russen, de SS-20, vormden nog een extra bedreiging, omdat ze mobiel waren en hun reikwijdte bijna twee maal zo groot was als die van de oude raketten. Wanneer de SS-20 achter de Oeral werden gestationeerd, waren ze onbereikbaar voor Europese kernwapens. Ze konden dan alleen nog worden vernietigd door Amerikaanse intercontinentale raketten (ICBM). Maar sinds SALT-I bestond er een evenwicht tussen de Russische en Amerikaanse ICBM's (80).
Schmidt geloofde overigens niet dat de SU met de SS-20 een directe bedreiging vormde voor West-Europa. Maar door de opbouw van een wapenarsenaal waar geen westers equivalent tegenover stond, had de SU een instrument in handen gekregen waarmee het landen in het bereik van deze raketten aan politieke chantage kon onderwerpen en een wig kon drijven in het westers bondgenootschap (81).
In dit verband stuitte ik overigens op nog een tegenstrijdigheid. Enerzijds zegt Schmidt in Menschen und Mächte herhaaldelijk dat het hem niet duidelijk was of Brezjnev en de Russische legerleiding zich bewust waren van de politieke gevolgen van de bouw van de SS-20. Na een ontmoeting met Gromyko op 23 november was Schmidt er zelfs van overtuigd geraakt dat de Sovjetleiders nog steeds niet zagen in wat voor situatie zij West-Europa en West-Duitsland hadden gebracht en na een ontmoeting met de Russische legerleiding moest hij constateren dat het hen aan elk politiek instinct ontbrak voor de reactie van de volkeren en staten die zich bedreigd zouden voelen door de drastische versterking van de raketbewapening (82). Anderzijds zegt Schmidt in zijn memoires dat de Russen bedrogen uitkwamen in hun verwachting 'uit het Brezjnev-tijdperk', dat ze West-Europa met behulp van de SS-20 politiek onder druk konden zetten en 'angst en psychose konden veroorzaken' (83). Hier beweert hij in feite dat de Sovjet-Unie bewust nastreefde West-Europa onder druk te zetten, terwijl Schmidt er tegelijkertijd van overtuigd was dat de Russen niet beseften wat de gevolgen waren van de plaatsing van de SS-20. In ieder geval blijkt uit de redevoeringen van Schmidt dat hij de SS-20 als een bedreiging voor de veiligheid en de ontspanning zag, of dit achteraf bezien nu wel of niet bewust werd nagestreefd.
Om aan deze onevenwichtigheid het hoofd te bieden nam de NAVO in december 1979 het NAVO-dubbelbesluit. Men nam het besluit dat de NAVO zes jaar na de installatie van de eerste SS-20 raketten (in 1983) zou overgaan op de vernieuwing van haar eigen tactische kernwapens door plaatsing van kruisvluchtwapens en Pershings-II. Maar om te voorkomen dat daarmee de wapenwedloop een extra impuls zou krijgen, zou tegelijkertijd worden gewerkt aan onderhandelingen met de SU om tot wederzijdse verwijdering van deze raketten te komen in een SALT-III akkoord.