Schmidt contra Strauss en Norstadt

De nieuwe strategie van de 'flexible respons'

Door dit teleurstellende verkiezingsresultaat vertrok Schmidt voor korte tijd naar Hamburg. Maar daar bleef de defensiepolitiek hem bezighouden.

Zoals eerder opgemerkt was aan het einde van de jaren 1950 een nucleaire pariteit ontstaan tussen de supermachten. Als gevolg daarvan wijzigde de VS de strategie van de 'massale vergelding', die was gebaseerd op het nucleair overwicht van de VS, in de strategie van de 'flexible respons'. Dit betekende dat op een militair conflict niet meer onmiddellijk zou worden gereageerd met kernwapens. Een beperkte aanval zou worden beantwoord met een gepast middel. In dat kader werden in de VS theorieën uitgewerkt over het voeren van een regionale oorlog. Deze nieuwe strategie vereiste een sterke conventionele bewapening, een mobile 'second strike' capaciteit en centrale controle over alle nucleaire wapens. Het accent verschoof van strategisch overwicht naar strategisch tegenwicht en dat werd op politiek terrein vergezeld door een ontwapeningspolitiek.

Europese bedenkingen

Bij de Europese bondgenoten veroorzaakte de nieuwe strategie nogal wat onrust. Bijvoorbeeld bij Josef Strauss, op dat moment minister van defensie. In Europa vroeg men zich steeds meer af wat de nucleaire garantie van Amerika nog waard was, nu Amerika met de inzet van kernwapens haar eigen vernietiging riskeerde. Met de nieuwe strategie werd de inzet van kernwapens überhaupt vermeden en gestreefd een eventuele oorlog zo beperkt mogelijk te houden. Maar zo'n beperkte oorlog zou voor Europa een totale oorlog betekenen en dat verhoogde de bezorgdheid onder de Europese bondgenoten alleen maar (47). De bondgenoten waren niet bereid de strategie van de massale vergelding zomaar op te geven.

John F. Kennedy and McNamara in 1962 McNamara was in november 1962 twee dagen op bezoek bij het Amerikaanse leger in West-Duitsland

Links: John F. Kennedy and McNamara in 1962. Rechts: McNamara was in november 1962 twee dagen op bezoek bij het Amerikaanse leger in West-Duitsland.

Het is daarom niet vreemd dat de Europese bondgenoten weinig enthousiast waren toen Robert McNamara, minister van Defensie onder Kennedy, in mei 1962 de nieuwe strategie voor het eerst voorlegde aan de Europese bondgenoten. McNamara spoorde de bondgenoten bovendien aan een grotere bijdrage te leveren aan hun eigen verdediging en de conventionele bewapening te versterken. Door de Europeanen werd dit uitgelegd als een extra teken dat Amerika niet meer bereid was de veiligheid van Europa te garanderen (48). Als gevolg hiervan kwam er steeds meer druk uit Europa op de Amerikaanse regering om de zeggenschap over het gebruik van kernwapens te delen. Dit debat over het nucleaire monopolie van Amerika stamde overigens al uit de tweede helft van de jaren 1950. Eisenhower en Dulles hadden deze druk van de Europese bondgenoten weten af te weren met een cosmetisch lapmiddel: de dubbele veto overeenkomst. Het gaf de Europeanen de zeggenschap over de in Europa gestationeerde raketten en de VS over de kernkoppen (49). Kennedy kreeg met dezelfde problemen te maken.

Norstadt en Strauss

Generaal Lauris Norstadt, opperbevelhebber van de NAVO, wilde van de NAVO een onafhankelijke kernmacht maken met een eigen arsenaal atoomwapens. Defensieminister Stauss deed in april 1962 een vergelijkbaar voorstel en hij stelde een drietal eisen: hij wilde meer informatie over de in Europa gestationeerde raketten. Daarnaast wilde hij van Amerika de garantie dat het niet tegen de wil van de Europese bondgenoten gebruik maakte van kernwapens (negatief inspraakrecht). Ten slotte eiste hij een positief inspraakrecht in het gebruik van kernwapens die op het eigen territorium waren gestationeerd (50).

Franz Josef Strauss (links), SPD-politicus Fritz Erler (rechts) en generaal Lauris Norstad (midden) in 1961.

De Duitse minister van Defensie Franz Josef Strauss (links) en SPD-politicus Fritz Erler (rechts) met generaal Lauris Norstad (midden) op het hoofdkwartier van de NAVO in 1961.

Schmidt volgt de lijn van Amerika

Als reactie op deze ontwikkelingen publiceerde Schmidt eind 1962 een artikel in Die Zeit. Hierin onderschreef hij de nieuwe strategie van Kennedy en McNamara, nadat hij haar eerst aan een kritische analyse had onderworpen. Hij deed bovendien een aanval op de openbare angstaanvallen van Strauss dat Amerika haar nucleaire bescherming over Europa opgaf en de Europeanen 'dem Schiksal eines konventionellen Krieges' overliet (51). Volgens Schmidt was er een nieuw tijdperk aangebroken, waarin kernwapens niet meer passen als middel tot afschrikking. Door de verbeterde 'second strike' capaciteit kon elke aanval worden beantwoord met de eigen vernietiging. Voor de Sovjet-Unie was het niet meer geloofwaardig dat het Westen bij lokale spanningen reageerde met nucleaire tegenmaatregelen. Anders gezegd, een militaire strategie die de eigen vernietiging op de koop toe nam, moest wel ongeloofwaardig overkomen. Dat hadden de crises rond Hongarije, Suez en Libanon voldoende bewezen, volgens Schmidt (52). Nadeel van de nieuwe situatie is echter dat de NAVO haar kwantitatieve achterstand op conventioneel gebied niet meer kon compenseren met kernwapens, omdat die immers als middel tot afschrikking waardeloos geworden waren. Maar het effect van de afschrikking mocht niet verslappen. Die afschrikking was het beste gewaarborgd bij een militair evenwicht tussen de machtsblokken. Een verstoring van het evenwicht zou de Sovjet-Unie kunnen verleiden tot militaire avonturen.

Het veiligheidsconcept van Schmidt

Om het evenwicht te herstellen pleitte Schmidt voor een drastische versterking van de conventionele bewapening. Wat de NAVO nodig had waren 'mehr Soldaten, besser ausgebildete Soldaten, mehr Panzer, bessere Panzer'...'was die NAVO in Europa absolut nicht braucht sind zusätzliche nukleare Waffen' (53). De versterking van de conventionele bewapening was noodzakelijk om uit de dwangpositie te komen waarin Europa de keuze had tussen directe overgave of totale vernietiging. Het Westen moest zich zonder direct gebruik van kernwapens kunnen verdedigen. Tactische- en strategische kernwapens waren alleen nog maar nodig om de tegenstander te weerhouden zijn eigen kernwapens van dezelfde aard in te zetten. Wie een conventionele aanval wilde afschrikken moest niet dreigen met een nucleaire tegenaanval (ongeloofwaardig), maar moest conventioneel de gelijke zijn (54). Schmidt noemde dit het concept van de 'abgestuften Abschreckung'.

Degene die deze strategie bekritiseerden hadden volgens Schmidt de ontwikkeling van de laatste tien jaar niet begrepen en begrepen het wezen van de afschrikking niet. Hiermee doelde Schmidt op Strauss, die streefde naar een geïntegreerde atoommacht en de Gaulle die streefde naar een nationale kernmacht. Schmidt vond de ambities van Frankrijk zelfs lachwekkend (55). Een eigen atoommacht of een Europese geïntegreerde atoommacht was een volstrekt verkeerde oplossing voor de zorgen van Europeanen. 'Wer im Ernst unabhängig von dem Amerikanischen Bündnispartner mit einer verwundbaren Nuklear- Streitmacht kleinen oder mittleren Umfangs die Sowjetunion beschiessen wollte, unterschiede sich nur noch graduell vom Strategen Adolf Hitler' (56). Daarmee konden Strauss en de Gaulle het doen.

Franz Josef Strauss (links) en Konrad Adenauer in 1961

Franz Josef Strauss (links) en Konrad Adenauer in 1961. Van 1961 tot zijn dood in 1988 was Strauss voorzitter van de CSU, de Beierse zusterpartij van het CDU.

Bezwaren tegen een Europese strijdmacht

Schmidt somde vervolgens op welke bezwaren er kleefden aan een van Amerika onafhankelijke 'geïntegreerde Europese nucleaire strijdmacht'. Zo'n geïntegreerde strijdmacht kreeg in de eerste plaats direct te maken met het 'vijftien-vinger-probleem': vijftien vingers op de knop was praktisch onwerkbaar. Waarschijnlijk zou de zeggenschap daarom worden gedelegeerd naar één man. Aangezien er geen verenigde staten van Europa was, zou die man wel de president van de VS worden. Men is dan na veel tijd, geld en moeite weer aanbeland op het uitgangspunt. Voor Schmidt was het bovendien onbegrijpelijk dat de Europese staten voor de feitelijke verdediging meer vertrouwen hadden in de consensus van veertien staten dan in de bereidheid van de VS om Europa te verdedigen. Een geïntegreerde atoommacht maakte in de tweede plaats, zowel voor de tegenstander als voor de bondgenoten, het strategisch overzicht onduidelijker en onberekenbaarder. Dat verminderde de veiligheid in plaats van andersom. Een onafhankelijke atoommacht kon in de derde plaats leiden tot een 'disengagement'-denken en isolationisme in delen van de Amerikaanse publieke opinie. In de vierde plaats zou de voorzienbare niet-deelname van een aantal NAVO landen aan deze atoommacht leiden tot desintegratie van de alliantie. Ten slotte zou de oprichting van een eigen atoomacht de geloofwaardigheid van de Amerikaanse garantie aantasten (57). Een onafhankelijke atoommacht zou de westerse defensie volgens Schmidt dus eerder verzwakken dan versterken.

Geen medezeggenschap maar samenwerking

Toch had Schmidt wel enig begrip voor het immer sterker wordende wantrouwen in de Amerikaanse veiligheidsgarantie. Wat Schmidt daarom voorstelde was geen nationale medezeggenschap (Mitbestimmungsrecht) over kernwapens, zoals Stauss keer op keer eiste, maar wel verregaande informatie en samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van planning om het wederzijdse vertrouwen te versterken. Zo moesten in alle hogere staffuncties die met planning en operatie belast waren onderdanen van verschillende lidstaten worden geïntegreerd, zodat zij deelnamen aan de praktische NAVO-planning. Staten konden dan in het planningsstadium interveniëren (58). Dit was vooral voor Duitsland een belangrijk punt. In geen geval mocht de band met Amerika verslappen. Een verslapping daarvan zou onherroepelijk tot een verstoring van het evenwicht leiden. Daarbij was niets meer aangewezen op de solidariteit van de NAVO dan West-Berlijn en daarmee de Bondsrepubliek (59). Wanneer de SU spontaan de strategische punten van West-Berlijn bezette, had ze een onherroepelijke 'fait accompli' geschapen: een Amerikaanse dreiging met een totale oorlog was op zo'n moment volstrekt ongeloofwaardig. Geen enkele Amerikaanse president zou een nationale zelfmoord riskeren om Berlijn weer terug te krijgen. Het risico dat de SU op zo'n moment nam, was dus vrijwel nihil. Wanneer daarentegen Amerikaanse soldaten in Berlijn gestationeerd waren en wanneer een van hen iets overkwam, kon geen Amerikaanse president eromheen tenminste 'een tank te sturen'(60). Tot slot wees Schmidt er in het artikel op dat naar zijn mening een zone met een beperkte bewapening in Midden-Europa - dat van beide machtsblokken dezelfde offers vroeg en de machtsbalans niet in gevaar bracht - nog steeds mogelijk was (61). Alhoewel hij erkende dat de psychologische situatie in de wereld voor dergelijke voorstellen ongunstiger was dan in 1959. Overigens is het de vraag of de situatie toen wel zoveel gunstiger was.

Opvallend is dat Schmidt korte tijd later wel het Amerikaanse MLF- project steunde. Het MLF-project voorzag in de oprichting van een 'Europese atoommacht'. Deze atoommacht zou bestaan uit een multilaterale vloot, uitgerust met vijfentwintig Polarisraketten en een multinationale bemanning. Het opperbevel over de vloot bleef in handen van de Amerikaanse president. Kennedy kwam met dit reeds onder Eisenhower ontwikkelde plan om de Europese mogendheden de illusie te geven dat zij meer zeggenschap kregen in het gebruik van de Amerikaanse kernwapens. Achteraf beweerde Schmidt dat hij het plan alleen al steunde uit anti-gaullisme (62). Het bezorgde Schmidt echter wel enig gezichtsverlies toen Johnson het project in 1964 weer liet vallen, omdat Johnson meer geïnteresseerd was in een non-proliferatie verdrag met de SU.

Als pleister op de wonden van de Europese bondgenoten die nu nog steeds niet tevreden gesteld waren, kwam McNamara in 1965 met het plan voor een 'special committee'. Dit comité moest overlegorganen over de inzet van kernwapens organiseren. Hier kwam in de herfst van 1965 onder andere de Nuclear Planning Group (NPG) uit voort. De NPG ontwikkelde zich in de loop van de jaren tot een van de belangrijkste overlegorganen binnen de NAVO. De Bondsrepubliek gaf het de mogelijkheid aan de strategische planning mee te werken, al bleef de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid in handen van de VS.

Voor Helmut Schmidt was dit niet voldoende, want na de instelling van de NPG leverde Schmidt nog steeds kritiek op de organisatiestructuur van het bondgenootschap. Volgens Schmidt was Duitsland in kritische situaties nog steeds object van vreemde beslissingen (63). Duits bezit of Duitse medezeggenschap over kernwapens hoefde niet van Schmidt, omdat dat in de ogen van de buurlanden en de SU als bedreigend zou worden ervaren en het wantrouwen tegenover Duitsland in de hand werkte. Maar een Duits vetorecht voor precies omschreven situaties achtte hij wel noodzakelijk. Een negatief inspraakrecht als extra verzekering tegen een voortijdige nucleaire 'oplossing' (64).

Na 1962 onderging het veiligheidsconcept van Schmidt geen wezenlijke veranderingen meer. Het militair evenwicht vormde de kern van dit veiligheidsconcept. Een verstoring van die balans bracht de vrede en veiligheid van met name Duitsland in gevaar. Een hechte band met Amerika was voor het behoud van het evenwicht onontbeerlijk.

1962, Schmidt als minister van Binnenlandse Zaken in Hamburg

Toen Schmidt zijn artikel in Die Zeit publiceerde, eind 1962, was hij minister van Binnenlandse Zaken in Hamburg.