Conclusie

Het lijkt mij juist te concluderen dat Helmut Schmidts inspanningen bij de totstandkoming van het Dubbelbesluit en zijn consequente steun aan het Dubbelbesluit daarna, geen breuk vormen in hetgeen hij in de twintig jaar daarvoor heeft gezegd en gedacht op het gebied van defensie en veiligheid.

Al in 1959 wees Schmidt op het belang van het militair evenwicht voor de vrede en veiligheid in Europa. In de loop van de jaren groeide zijn ideeën hierover uit tot een volledig veiligheidsconcept, tot de strategie van het evenwicht. Wanneer die balans werd verstoord ten gunste van het Warschaupact zou Duitsland in een 'politieke wurggreep' kunnen raken. Dat wil zeggen, ze zou dan chanteerbaar worden.

In dit verband pleitte Schmidt in 1962 voor een drastische versterking van de conventionele bewapening, omdat de achterstand op dat gebied niet meer kon worden gecompenseerd met kernwapens en het afschrikkingseffect niet mocht verslappen. Schmidt was fel tegenstander van een onafhankelijke Europese atoommacht, omdat dat de hechte band met Amerika in gevaar kon brengen en die was essentieel voor het behoud van het strategisch evenwicht.

In het kader van zijn strategie van het evenwicht was hij ook intensief betrokken bij het tot stand brengen van onderhandelingen over wederzijdse en evenwichtige vermindering van de strijdkrachten in Europa, op het moment dat Amerika dreigde deze eenzijdig terug te trekken. Toen het Warschaupact door de plaatsing van de SS-20 het evenwicht in gevaar bracht, was het voor Schmidt een logische stap dat het Westen dit ongedaan maakte door de modernisering van de eigen Eurostrategische-raketten.

In het midden van de jaren zestig breidde Schmidt zijn veiligheidsconcept uit. Vanaf dat moment ging de ontspanningspolitiek van Amerika en de Sovjet-Unie een rol spelen. Volgens Schmidt bood het militaire evenwicht de mogelijkheid om tot ontspanning en een gedeeltelijke samenwerking tussen Oost en West te komen. Voor Duitsland bood dat de mogelijkheid de betrekkingen met de DDR en andere Oostbloklanden te verbeteren. De Ostpolitik mocht echter niets af doen aan de hechte band met het westers bondgenootschap.

Ondanks de diverse meningsverschillen tussen Amerika en Duitsland, die zich in de loop van twintig jaar, voordeden, twijfelde Schmidt geen moment aan het belang van een bondgenootschap met Amerika. Dat is een constante factor in zijn veiligheidsconcept.

De visie van Schmidt op het 'buurland' de Sovjet-Unie en op de relatie tussen Duitsland en de Sovjet-Unie lag wat dat betreft gecompliceerder. In zijn toespraak uit 1959 achtte Schmidt de dreiging uit het Oosten zeer gering en in een toespraak in 1966 omschreef Schmidt de Sovjet-Unie als een status quo macht. Toch is zijn strategie van het evenwicht gebaseerd op de minder vredelievende wil van de Sovjet-Unie. Wanneer immers het evenwicht verstoord werd, vormde de Sovjet-Unie een gevaar voor de veiligheid van West-Duitsland, omdat ze Duitsland dan politiek onder druk kon zetten.

In zijn memoires Menschen und Mächte wijdt Schmidt wat meer uit over zijn visie op de Sovjet-Unie. Daarin noemt hij de Sovjet-Unie een expansionistische mogendheid. De expansionistische aspiraties van het communistisch regime ziet hij als de directe voortzetting en uitbreiding van de politiek van het oude Rusland (84). Om deze latente bedreiging te weerstaan is het strategisch evenwicht van groot belang en hebben de Duitsers het westers bondgenootschap hard nodig. Maar tegelijkertijd was Duitsland ook in grote mate afhankelijk van de Sovjet-Unie. West-Duitsland kon de band met de DDR niet in stand houden tegen de wil van de Sovjet-Unie. Meer dan een andere staat was Duitsland aangewezen op een goede verstandhouding met de Sovjet-Unie (85).

In een periode van ontspanning leverde deze dubbele opgave, waarin Duitsland trouw was aan het westers bondgenootschap en tegelijk werkte aan een goede relatie met de Sovjet-Unie, geen problemen op. Maar wanneer de goede verhouding tussen Amerika en de Sovjet-Unie afbrokkelde, plaatste dit met name de Duitse regering in een moeilijke positie. Dat lieten de gebeurtenissen in 1980 en daarna zien. De inval in Afghanistan en de Amerikaanse reactie daarop maakten een einde aan de détente. Schmidt kwam toen in een moeilijke positie. Schmidt wilde de samenwerking en goede betrekkingen met de Sovjet-Unie voortzetten, maar hij moest tegelijk aan de Sovjetleiding duidelijk maken dat aan zijn loyaliteit met het westers bondgenootschap en met Amerika niet te tornen viel.

Het is opvallend dat door dit moeilijk manoeuvreren van Schmidt met name zijn relatie met de Amerika verslechterde, omdat Amerika niet gediend was van een eigenzinnige opstelling van Schmidt.

Tot slot wil ik nog enige aandacht besteden aan de oorsprong van Schmidts ideeën. In Menschen und Mächte zegt Schmidt dat noch de dubbelstrategie a la Harmel, noch de ontwapeningspolitiek van Nixon, noch de Ostpolitik nieuw waren voor hem. Integendeel hij had dergelijke ideeën al veel eerder verkondigd (86). Uit deze geschiedenis zal gebleken zijn dat dit inderdaad het geval is. Maar het zou toch te veel eer zijn voor Schmidt te veronderstellen dat hij de uitvinder is van de dubbelstrategie waarin evenwicht werd gecombineerd met ontspanning of van de strategie van de 'flexible respons'. Helaas is Schmidt over de oorsprong van zijn ideeën veel minder duidelijk dan over de ideeën zelf. In dit verband zou ik in de eerste plaats de aandacht willen vestigen op het Beermann-memorandum uit 1958. Daarin werd een strategisch concept uitgewerkt, dat veel overeenkomsten vertoont met hetgeen Schmidt een jaar later zei in zijn redevoering. Vreemd genoeg ben ik in geen enkel artikel van Schmidt of in zijn memoires de naam Beermann tegengekomen. Terwijl Friedrich Beerman, volgens Helga Haftendorn, aan het einde van de jaren vijftig een belangrijke tussenpersoon was tussen Erler en Schmidt enerzijds en de toonaangevende strategische denkers in de Verenigde Staten anderzijds (87). Beermann was tot 1959 wetenschappelijk assistent van de SPD voor veiligheidsvraagstukken en werd daarna hoofd van de 'Stab des Deutschen Militarischen Vertreters' in Washington.

Mensen die Schmidt wel met name noemt als belangrijke bronnen van inspiratie zijn Herbert Wehner, Maxwell Taylor en Henry Kissinger.